Dakloos en dapper

Ton Hendriks fotografeerde negen jaar lang straatkinderen in negen landen. Wereldwijd zijn ruim 100 miljoen kinderen dakloos. ‘Zij koesteren hoop.’

Wat bezielt iemand om negen jaar lang straatkinderen te fotograferen? Straatkinderen in negen landen, verspreid over vier continenten? Hang naar snel succes kan het niet zijn.

„Getverderrie”, kreeg hij te horen toen hij in 2002 met zijn eerste serie foto’s van straatkinderen ging leuren. Geen krant, geen tijdschrift die zijn portretten van „moderne slaven” uit de Ghanese hoofdstad Accra wilde plaatsen. Zelfs niet de bladen die over ontwikkelingshulp schrijven. „Dat kennen we nou wel”, zeiden ze tegen fotograaf Ton Hendriks. „Een afgekloven onderwerp. Saai. Dat wil niemand meer zien.”

Hoe groter de weerzin waarop hij stuitte, hoe nijdiger Ton Hendriks werd. En hoe onverzettelijker.

Volgens Unicef, het kinderfonds van de Verenigde Naties, zwerven in steden wereldwijd 100 tot 150 miljoen straatkinderen. Kinderen tussen 5 en 17 jaar die op straat leven. Kinderen die van de straat leven. Werkend, bedelend of stelend. Zonder zorg of bescherming van volwassenen.

„Straatkinderen lijden dubbel”, zegt Hendriks. „Meer nog dan de armoede kwelt hen het gebrek aan aandacht. Het zijn kinderen die geen kinderen kunnen zijn. Aan mij als fotograaf de taak te demonsteren dat ze de moeite waard zijn om te worden gezien.”

Hoe hij ze niet wilde laten zien, stond hem van meet af aan helder voor ogen. Niet zoals hulporganisaties hen het liefst presenteren op hun websites: breeduit lachend, weldoorvoed, in nieuwe kleren. Weer een wereldprobleem bezworen als u maandelijks een vast bedrag overmaakt.

Het was hem ook niet te doen om shockerende beelden. Gravend in een vuilnisbelt. Lijmsnuivend in de drek. Zich prostituerend tegen een pismuur. Liefst in zwart-wit en grofkorrelig. „Slachtofferfotografie”, noemt hij dat.

Een begeleider in Ghana moedigde hem aan straatkinderen te fotograferen terwijl ze op straat lagen te slapen. Zijn spontane reactie? „Dat zou niet van eerbied getuigen. Misschien willen ze niet op de foto. Ik ken hun verhaal niet eens.”

Hendriks maakt portretten van straatkinderen, zoals zij zich willen laten zien. Dat kan zijn met de attributen waarmee ze hun brood verdienen. Een schaal voor hun koopwaar. Een doosje schoensmeer. Een borstel.

Dat kan zijn in de pose van hun plaatselijke rolmodellen, zoals de lolita’s in Rio de Janeiro, met hun blote benen en onbedekte navels. Zie eens hoeveel aandacht die jongens in Johannesburg en Istanbul aan hun kleren besteden. Het lijken wel modefoto’s. Niet het stereotype beeld van een straatkind. Deze kinderen koesteren hoop en aspiraties. Ze zijn niet zielig. Ze eisen respect.

Dat schreeuwen hun poses. Hun blik vertelt soms een ander verhaal.

Hendriks verbaasde zich erover hoe makkelijk het was contact te maken met de straatkinderen, dankzij hulp van plaatselijke opvangorganisaties. Hoe gewillig ze poseerden, alsof ze uitverkoren waren. Hoe ongeremd ze hun levensverhaal vertelden. Alsof er zelden iemand naar hen luistert. Zoals die jongen in Mongolië. „Mijn vader heeft mijn moeder vermoord. Hij had ook mij vermoord als ik niet was weggerend.”

Na afloop gaf Hendriks meestal geld. Een dagloon. Een, twee euro. Maar dat wisten ze niet tevoren. Ze vroegen er niet om.

Er waren ook kinderen die hem meden. En kinderen die hij zelf uit de weg ging. „Die zo onder de drugs zaten, dat ze er scheel van keken. Die zo’n agressieve indruk maakten. Het allerlelijkste, het allerzwaarste, het allernegatiefste laat ik niet zien. Dat werkt alleen maar afstotend.”

Hij toont wel het meisje dat om middernacht naar een sportveld komt in de Boliviaanse hoofdstad La Paz om met andere kinderen een partijtje voetbal te spelen. „In haar blik zie ik vertrouwen, vertrouwen in mij. Ze vroeg me op haar zusjes te letten, terwijl zij ging voetballen.”

Soms ontmoet hij een kind dat hij niet kan vergeten. Zoals dit jaar in een opvangcentrum in Johannesburg de 14-jarige Moeketsi. Hij las de jongen voor uit een encyclopedie. „Je bent de eerste persoon die ooit van me heeft gehouden. Wil je mijn vader worden?”, zei Moeketsi. Hendriks zorgt dat de jongen een opleiding krijgt.

Hetzelfde heeft hij gedaan voor Theresa, destijds 16, die hij in 2002 tijdens zijn reis naar Ghana heeft ontmoet, maar hier niet op de foto staat. Ze bellen elkaar al negen jaar elke week. Tegenwoordig verkoopt Theresa zelfgemaakt eten op de markt. Ze wil nog steeds niet trouwen. Ze is als straatkind verkracht. Haar baby moest ze afstaan. „Afrikaanse mannen deugen niet”, zei ze hem door de telefoon.

In zijn flat in Amsterdam-West, zes hoog, koestert Ton Hendriks grootse plannen. Begin volgend jaar heeft hij een tentoonstelling in het Volkenkundig Museum in Leiden. Er moet een boek verschijnen. Er is al een website. „Het straatkind is geen saai en afgekloven onderwerp. Ik hoop dat mijn werk dat bewijst.”

Foto’s uit Mongolië, Zuid-Afrika en Egypte zijn tot stand gekomen met financiële steun van het NCDO. Meer werk is te zien op: globalstreetchild.org