'Crisis kan eindigen bij Frankrijk'

Financiële steun aan Ierland lost de eurocrisis niet op, vindt Goldman Sachs-strateeg Jim O’Neill. De markten komen terug, tot een structurele oplossing gevonden is.

Zeven jaar geleden verzon hij de term BRIC’s als verzamelnaam voor de opkomende landen Brazilië, India, China en Rusland. En hij rekende voor hoe en wanneer zij de gevestigde Westerse economische machten zouden overstijgen. Daarvóór was Jim O’Neill, de topeconoom van zakenbank Goldman Sachs, al een van de opinieleiders van de internationale financiële markten, en die reputatie is sindsdien alleen maar sterker geworden. Nu de crisis in de eurozone om zich heen grijpt, dragen zijn woorden ver. En die woorden zijn niet erg vleiend voor de manier waarop Europa zijn muntunie tot nu toe heeft bestierd. Verbaasd is O’Neill dan ook geenszins over de Ierse crisis. „Het lag zo voor de hand dat dit zou gebeuren”, zegt hij in zijn kantoor in de Londense City.

O’Neill, die sinds september als topman van Goldman Sachs Asset Management de scepter zwaait over de miljardenbeleggingen van de bank, denkt dat de huidige chaos in de eurozone er vanaf het begin in zat. „Het onderliggende karakter van deze crisis is anders dan de meeste mensen denken. Het gaat niet zozeer om schulden en geld”, stelt hij. „Het gaat om het institutionele karakter van de monetaire unie dat vooral Duitsland bereid is te tolereren. De vraag is: wat wil Duitsland écht?”

Tegenvraag: weet Duitsland dat zelf wel? „Ik denk het niet”, zegt O’Neill, „en dat is een deel van het probleem”. Hij verwacht dat de markt zal kalmeren als de nu onderhandelde Ierse redding er eenmaal doorheen is, en dat de euro in koers stijgt. Maar dan komt het probleem vanzelf weer terug, want echt opgelost is er niets. „De tijd nadert dat Europese beleidsmakers moeten beslissen over iets veel fundamentelers. Willen ze dat de muntunie de basis is voor een vrijhandelszone waarin schaalvoordelen werkelijk eens kans krijgen? Want als dat laatste niet gebeurt, dan is de euro in wezen weinig anders dan het oude Europees Monetaire Stelsel, met vaste wisselkoersen tussen de deelnemende munten.”

Tot dusverre is de eurozone volgens hem nog niet de geïntegreerde economie die de grondleggers er van verwachtten. „Het alternatief is dat de euro de spil is van een Europese economie, waarin de onderliggende beweeglijkheid niet langer komt van wisselkoersveranderingen, maar van onderlinge verschillen in economische groei. Als je besluit om wisselkoersen te fixeren, dan treedt de variatie op een andere manier op, via renteverschillen en economische groei. Het is dus helemaal niet zo verrassend dat er grotere groeiverschillen tussen de landen binnen de muntunie optreden, zoals nu.” Wat dat betreft werkt de euro volgens O’Neill eigenlijk heel goed. „We hebben alleen een decennium achter de rug waarin Duitsland achter bleef bij de rest, en nu zien we het tegenovergestelde.”

Maar is dat niet te lichtvaardig gedacht? De indruk bestaat nu dat de landen die in problemen zijn, in een neerwaartse spiraal raken waaruit ze niet meer kunnen ontsnappen. O’Neill denkt dat het meevalt. „Het was in 1999, na de Aziëcrisis ook erg in de mode om te stellen dat een land als Indonesië er nooit meer bovenop zou komen. Nu wordt ik regelmatig gevraagd of ik niet een extra ‘I’ moet toevoegen aan de Bric’s. Het idee dat een land als Griekenland nooit meer uit het slop zal komen is stompzinnig.”

Volgens O’Neill staat de muntunie voor een kruispunt. „We hebben een groep van Europese beleidsmakers nodig die niet langer bezig is met de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en de verschrikkelijke geschiedenis van Europa, maar met de toekomst. Bij de oprichting werd door de Duitse centrale bankier Otmar Issing al gezegd dat er uiteindelijk geen monetaire unie mogelijk is zonder een gezamenlijke Europees begrotingssysteem. Ik heb altijd sympathie gehad voor dat idee. Maar daarvoor moet je wel de instituties hervormen, en ze representatiever maken voor de bevolking.” Wat dat betreft kan de huidige crisis volgens O’Neill de eerste stap zijn in de richting van een werkelijke unie. „Het is zonde om een goede crisis te verspillen, en deze kan goed zijn voor de toekomst van Europa. Ik denk wel dat het antwoord van de Europese Centrale bank superieur is geweest. De interventie in de obligatiemarkt in mei, waar de ECB staatsleningen opkocht om de koersen te steunen beschouw ik als de belangrijkste ingreep sinds het Plaza-akkoord van 1987. Dat heeft ons gered van een tweede Lehman-scenario.”

Maar er is volgens hem ook een andere, minder fraaie toekomst denkbaar. „De markt zal straks, als de Ierland kwestie voorlopig is opgelost, zijn aandacht naar iets anders verplaatsen. Maar ze zal daarna terugkeren”, zegt O’Neill. De interessantste plek wordt volgens hem Frankrijk, en niet alleen omdat het volgend jaar voorzitter is van de G20. „Een cynicus zou zeggen dat de hele euro een Frans idee was om Duitsland te controleren. Het eerste decennium van de muntunie leek dat niet zo slecht uit te vallen, met uiteindelijk zelfs een Fransman als president van de ECB. Maar nu, een jaar in het tweede decennium van de euro, ziet het er anders uit. Duitsland is terug achter het stuur van de euro, en heeft meer invloed. We weten allemaal dat Frankrijk daar niet erg van houdt, en de Franse begrotingssituatie wijkt niet wezenlijk af van die van Spanje. Het zou me niet verbazen als op een bepaald moment in de komende zes maanden de financiële markten de Franse regering daar aan herinneren. En dan wordt het crunch time.”

In dat geval ontstaat er een nieuwe situatie, denkt O’Neill. „Griekenland, Ierland en Portugal moeten zich van Duitsland helemaal binnenste buiten keren. Als Berlijn dat vervolgens ook van Frankrijk verwacht, dan weet ik niet hoe de Fransen zullen reageren. Ik verwerp de mogelijkheid niet dat op een dag een invloedrijk Franse opinieleider zegt: weet je wat? Die hele euro was eigenlijk een nare droom. Laten we er mee stoppen.”