Zuigen, bluffen en pesten

Christian Frascella: Ik ben de sterkste. Moon, 15+, 270 blz. € 16,95

Spreektaal is een geweldige grondstof voor een literaire vertelstem, die zeldzaam krachtig en authentiek kan worden door uitdrukkingen van de straat of van het schoolplein. Zo’n geweldige ‘voice’ kan in zijn eentje een hele roman dragen, maar kan in jeugdromans ook ontaarden in een schelden en steeds weer bonken op het aambeeld van puberboosheid.

In zijn debuutroman Ik ben de sterkste heeft de Italiaanse schrijver Christian Frascella (1973) een meesterlijke vertelstem geschapen. Zijn 16-jarige hoofdpersoon is lomp en boos, maar overschreeuwt zichzelf nergens. De ik-figuur schreeuwt soms wel, maar hij fleemt ook, hij zuigt, hij bluft, hij pest, hij schept op, hij fantaseert en vooral: hij observeert genadeloos zijn vaak hypocriete omgeving.

Hoeveel registers Frascella bespeelt, blijkt bijvoorbeeld als de hoofdpersoon weer eens niet kan roken. De ene keer is zijn toon droog: ‘In het leven heb ik één ding ontdekt: dat bussen altijd komen als je net een sigaret hebt opgestoken.’ De andere keer is zijn toon heftig: ‘Wat een mislukte, gore zeikerd! Ik kreeg niet eens de tijd en de ruimte om in alle rust een goudeerlijk sigaretje te roken. Wil je ook wat? Stop het in je-weet-wel, die hasj’. De toon is altijd precies goed.

De ik-figuur woont met zijn drankzuchtige vader en kwezelige zus in een treurig dorp. Zijn moeder is ervandoor met een pompbediende. Hij zelf wordt al gauw van school getrapt en dreigt ook uit huis gezet te worden als hij blijft aanschoppen tegen de nieuwe vriendin van zijn vader. De baan in een metaalfabriek is er een uit de hel.

De verteller overleeft dit alles door zijn geweldige zelfoverschatting. Hij beeldt zich in een acteur te zijn in de vele films die in het boek voorbij komen. Hij heeft een grote mond, gaat voortdurend op de vuist en is op de versiertour: ‘De mannen vreesden mij. /Omdat de vrouwen mij begeerden’. Natuurlijk gaat hij steeds hard onderuit en moet hij zijn nederlagen steeds weer ombuigen in overwinningen met inventieve redeneringen.

Met al die kansloze missies maakt hij vorderingen. Hij ontmaskert de schijnheiligheid van volwassenen, die praten in clichés en vasthouden aan holle rituelen: ‘De mis was voorbij en de overspelige, diefachtige huichelaars, hun leugenachtige, bedriegende echtgenotes en hun nog onbedorven kroost zwermden de kerk uit.’ Hij krijgt de begeerde baan. En zowaar weet hij de liefde te winnen van een mooi winkelmeisje. Die verovering verloopt moeizaam. Hun dialogen zijn duels en hun eerste ontmoeting levert hem een oorvijg op. Maar de aanhouder wint. Frascella wikkelt deze verhaallijn iets te vlot af, net zoals bij de verzoening tussen vader en zoon. Maar dan is de verteller al een stuk wijzer geworden: ‘Nu was ik geen acteur meer, in geen enkele film [...] Ik was alleen maar mezelf en het was echt niet zo fraai.’ De jonge acteur is een echte man geworden en is in beide gedaanten om dol op te zijn.