Zinderende zonnen in het blauw

Schilder, tekenaar en graficus Willem den Ouden mag dan 82 zijn, de Waal met zijn oneindig laagland verveelt hem nog lang niet.

Willem den Ouden: Boven de Waal. Tekeningen, aquarellen, schilderijen. Inl. Betty van Garrel. De Weideblik, 112 blz. € 39,50

Urenlang kon de Uitvreter, verhaalfiguur van Nescio, aan het water zitten en staren naar de rimpelingen en de lichtval en de lucht erboven, met geen ander verlangen dan erin op te gaan. Zo kijkt Willem den Ouden (1928) ook graag uit over het water – en dan vooral het water van de Waal, in de bocht bij Varik, elke dag, sinds hij er in 1967 kwam wonen. Hij heeft het op allerlei manieren proberen vast te leggen: de brede, traag door oneindig laagland gaande rivier, de lage uiterwaarden, de dijk en de machtige hemel erboven, met het steeds wisselende licht en de steeds wisselende wolkenformaties. Eerst in etsen en litho’s, sinds 1999 in tekeningen, aquarellen en schilderijen, vanuit de uiterwaarden of vanaf het het balkon van het Veerhuis in Varik.

Sinds de dijk door de dijkverzwaring ‘verpest’ is, richt hij de blik niet meer op de dijk en het water beneden, maar op het uitspansel erboven. Elke dag kan hij recht tegenover zich de zon zien opkomen. Toen hij dat eenmaal had gezien wist hij: ‘Voordat ik doodga, wil ik de zon geschilderd hebben.’ Net als Bavink, een personage uit de Titaantjes van Nescio. Die probeerde het ook, totdat hij er gek van werd.

Boven de Waal bevat een keuze uit Den Oudens werk van de laatste jaren – zijn ‘Balkonperiode’. Betty van Garrel schreef er een lange inleiding bij, met iets te veel eerbied en ontzag voor de schilder. Hij wordt hier wel heel erg als een lijdende kunstenaar voorgesteld, en tegelijk als een ziener, een heilige bijna. En dan ook nog eens in de vage bewoordingen die je wel vaker in kunstcatalogi tegenkomt – over ‘de toonwaarde’ en ‘de zeggingskracht van autonome lijnen’. Dat hebben deze minimale landschappen helemaal niet nodig. We zien hier 46 potloodtekeningen van steeds weer andere wolkenluchten, door Den Ouden zelf voorzien van kort commentaar over de bijbehorende weersgesteldheden. Het idee van zo’n monomane reeks bevalt mij wel, maar al die tekeningen achter elkaar zijn nogal inwisselbaar, en zelfs saai.

Heel anders is dat bij de kleurige aquarellen (9 stuks) en olieverfschilderijen (22). Die lijken ook allemaal op elkaar, maar daar gaat, hoe zal ik het zeggen, de hemel open en stroomt het zonlicht van de bladzijden af. Allemaal zinderende zonnen zien we daar, in een grote hoge blauwe lucht, met wilde wemelingen en flonkeringen van licht. Het lijkt wel een explosie – net als de zon zelf. Onderaan zie je steeds nog net een dun veegje rivier en een dun streepje dijk, met een stipje van een kind of een koe. Verder is de blik alleen maar omhoog gericht, naar het overweldigende licht. Hier dient de mystiek zich vanzelf al aan: het verlangen om in deze zonnen op te gaan.

Op het laatste doek zien we tussen de verblindende lichtstralen nog net de contouren van een figuurtje dat naar beneden dwarrelt. Het heet ‘De val van Icarus’, maar eigenlijk is het Willem den Ouden zelf. Hij vertelt dat hij nog altijd bang is dat hem hetzelfde lot wacht: dat hij hoogmoedig wordt, te dicht bij de zon komt, en dan naar beneden valt – in het water van de Waal.

    • Guus Middag