Waar de gedeelde wc zat, is nu een luxe lift

Toen prins Bernhard er woonde, was een wijk als Wilmersdorf nog ‘minder chique’. Nu is het mooi te verblijven in een bastaard Berlijnse kamer.

Het huis waarin ik woon, kun je een Berlijnse huurkazerne noemen. Het is zoals zoveel panden in Berlijn ruim honderd jaar geleden gebouwd, toen de stad ongekende groeide. Mijn huurkazerne bevindt zich in de West-Berlijnse straat waarin prins Bernhard tijdens zijn studie z’n „regulier kostadres” had. Die straat ligt in een wijk die Bernhardbiografe Annejet van der Zijl in haar boek Een verborgen geschiedenis „minder chique” noemt, maar waarmee wij tevreden zijn. Een huurkazernewijk.

De Berlijnse huurkazerne of oudbouwwoning is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de stad. Imposant, ooit volkrijk en gebouwd volgens een vaste plattegrond. In volkswijken als Wedding en Moabit staan huurkazernes die via de binnenhoven met elkaar verbonden zijn. Tot in de vijfde hof wonen mensen.

Het is mede aan de Berlijnse architect Jonas Geist te danken dat de klassieke huurkazerne een wederopstanding heeft doorgemaakt. In de naoorlogse sloopdrift zouden er meer zijn neergehaald als Geist ze niet had herontdekt als praktisch antwoord op de woningnood. „Wie nu in een rustig Berlijns achterhuis woont en daaraan sociaal prestige ontleent, mag Geist bedanken”, schrijft architectuurcriticus Nikolaus Bernau. Het praktische zit ’m in de hoeveelheid mensen die een huurkazerne min of meer onopvallend kan huisvesten. Het is een flat zonder de uiterlijke kenmerken ervan.

Onze huurkazerne bestaat uit een voorhuis, anderhalve zijvleugel en een half achterhuis. Daartussen ligt de binnenplaats, waar vroeger kleden werden geklopt en die nu begroeid is met schaduwvegetatie. Ooit bestond dit gebouw zoals vrijwel alle huurkazernes uit een voorhuis, twee haaks daaraan gebouwde zijvleugels en een achterhuis. Een oorlogsbom heeft een van de zijvleugels en het achterhuis gehalveerd. We kijken uit op de Innenhof en de achterkant van het voorhuis. Het is net Rear Window, de film van Alfred Hitchcock over een fotograaf die vanuit een achterraam z’n buren aan de binnenplaats bespiedt.

De waardering voor de Berlijnse huurkazerne is binnen een eeuw gekanteld. In de jaren ’20 was het wonen erin een ramp. Berucht was de Meyerische Hof in de Ackerstrasse, met zes binnenhoven. Onder gebrekkige omstandigheden woonden hier tweeduizend mensen in driehonderd appartementen. Na de oorlog veranderde dat. Maar pas na de val van de Muur kwam de doorbraak: verwaarloosde huurkazernes in Oost-Berlijn werden prachtig opgeknapt en verhuurd aan welvarende jonge mensen. Als je nu een oudbouwwoning in de Ackerstrasse hebt, mag je je gelukkig prijzen.

Aan onze huurkazerne is goed te zien dat de wereld honderd jaar geleden anders in elkaar zat dan nu. Het voorhuis was voor de welgestelden. Het heeft al vanaf 1910 een lift. In de zijvleugels en het achterhuis woonde het klootjesvolk. Daar was geen lift. Wij hebben er pas vier jaar geleden een gekregen, ingebouwd in het trapgat. Tot verbazing van de oudste huurder, een negentigjarige die hier al lang woont. Voor de oorlog waren er wc’s bij het trapgat. Halbe Treppe hoch (halverwege de trap) bevond zich de Aussenklo, voor gemeenschappelijk gebruik.

In de plattegrond van de huurkazerne heeft de unieke en kenmerkende Berliner Zimmer een ereplaats. Het is de woonruimte die het voorhuis met de zijvleugel en de zijvleugel met het achterhuis verbindt; een doorgangskamer die vroeger veel als ontvangstruimte werd gebruikt. Sfeervol en vrij donker. Wij hebben een bastaard Berlijnse kamer met een balkon. Het is mijn werkkamer.

Opmerkelijk in onze huurkazerne is de wenteltrap die, ingebouwd in de achterzijde van het voorhuis, toegang geeft tot de keukens en wat vroeger de kamers van de dienstmeisjes waren (Mädchenzimmer). Het personeel mocht niet met de boodschappen door het appartement lopen. Het had een eigen opgang zonder lift. „Op die wenteltrap liggen veel zweetdruppels”, zegt mijn huisbaas. Hij heeft mij over de geschiedenis van onze huurkazerne verteld, die al een eeuw van zijn familie is. Het scheelde weinig of de oorlog had daaraan een eind gemaakt. Een Engelse brandbom suisde in 1944 door het dak van het voorhuis. „Het was een blindganger. Hij bleef zonder te ontbranden in een plafond steken.”

    • Joost van der Vaart