Voor Museumprijs is prima actie gevoerd

Het commentaar ‘Museumprijs voor niks’ (NRC Handelsblad, 17 november) bevat een kras oordeel. De museumprijs ‘markeert een trap in de buik van de kunst’, vooral door de manier waarop musea stemmen wierven. ‘Bewegende kettingbrieven’ werden rondgestuurd, maar ook werd er om stem-sms’jes ‘gebedeld’ op voetbalvelden. Hier wordt veroordeeld wat wij juist toejuichen. Musea zijn in een democratie niet het exclusieve speelveld van een elite, maar collectief bezit. Ze vormen een onderdeel van onze samenleving, net als het stadhuis, de markt en het voetbalstadion.

‘Musea durven niet te rekenen op de kracht van hun eigen kunst’, aldus het commentaar. Maar hoe wordt die kracht getoond? Dat kan alleen door de presentatie. En wie is gevoelig voor die kracht? Niet iedereen in gelijke mate. Het museum is een medium dat bemiddelt tussen de verborgen schat die het toont en bewaart, en het (deels ongeïnteresseerde) publiek. Om buiten de muren van zijn schatkamers verstaanbaar te zijn, moet het museum de taal spreken van degenen die het wil bereiken.

In Nederland riepen enkele musea, in de race om de museumprijs, de lokale bevolking in het voetbalstadion op om voor ‘hun eigen’ museum te stemmen. ‘De kracht van kunst’ is daarbij wel uitgangspunt, maar niet de boodschap. Het museum appelleert aan de trots die velen voelen voor hun stad en daarmee hun museum. Door de museumprijs en de kans die men kreeg om voor het ‘eigen’ museum te stemmen, werd de positie van de musea midden in de samenleving versterkt. Dit is precies wat de museumprijs beoogt.

Nikki Gonnissen en Thomas Widdershoven

Ontwerpbureau Thonik