Truckers in crisis zoeken God op de parkeerplaats

Sam en Shannon Rust, truckersdominees aan de snelweg, vangen in hun mobiele kerk truckers op die eindeloos rondrijden voor een hongerloontje. Na ‘Amen’ komt 'eikel'.

Steve Sonnenberg heeft drie weken doorgejakkerd. Elke dag veertien uur. In Texas was hij, in Indiana, Montana, Massachusetts – het hele land heeft hij in zijn truck doorkruist, zo’n laadbak met achttien banden en een cabine als een buldog.

Het schema was natuurlijk weer te krap. Dus zonder highballin’, te hard rijden, zou hij voortdurend te laat zijn geweest. „Dan was de baas gaan mekkeren”, grinnikt hij, de ondertanden bruin van de nicotine.

Morgen komt Sonnenberg (49) eindelijk thuis, in Ohio. Een vrolijke toestand zal het er niet zijn. De bank heeft hem vorig jaar het huis uitgezet. Hypotheekschuld. Hij is er met zijn vriendin, serveerster bij grillketen Applebee’s, en haar twee kinderen stiekem weer ingetrokken toen de woning leeg bleef staan.

Overdag houden ze de gordijnen dicht, in de hoop dat ze niet worden betrapt. ’s Avonds gebruiken ze bijna alleen kaarslicht. „Op je gemak ben je nooit”, zegt hij.

Sonnenberg is na het invallen van de duisternis de truck van dominee Shannon Rust (42) binnengestapt. Een tot tempel omgebouwde vrachtwagen, Headlight in Trucking staat op de zijkant. De chauffeur wil „het beest” in zichzelf temperen, vertelt hij. „Ik voel alleen maar woede in mijn kop”, zegt hij in de deuropening.

„Kom maar binnen jongen.”

Later op de avond legt dominee Rust uit dat hij elke week wel een paar mannen met dit soort ongerichte agressie bij zich krijgt. Amerikaanse vrachtwagenchauffeurs lijden.

Uitgerekend de truckersbranche, zegt Rust, brengt in beeld hoe hard de zwakke economie aankomt bij laag opgeleide mannen, vooral blanken.

Hij schat dat een kwart tot de helft van alle chauffeurs de laatste jaren zijn huis verloor. Ze werken vaak twee of drie weken onafgebroken door voor een minimumloontje.

Al het verlangen is verdwenen. „Ze zijn ten einde raad”, zegt Rust, een kleine man van een kilootje of tweehonderd die de haren met natte gel achterover heeft gekamd.

Headlight in Trucking wordt betaald door de Pinkstergemeente, en Rust runt de mobiele kerk met zijn vader, de 76-jarige Sam Rust. Deze is de tegenpool van zijn zoon. Een stoere kerel – puntschoenen, vetkuif – die de ambulante kapel in de jaren zeventig begon. Destijds stuurde hij zijn omgebouwde truck, een Peterbilt 379, door het hele land; zoon Shannon sliep tussen de kerkbanken in de laadbak. Nu hebben ook de Rusts last van de economie, en beperken ze hun actieradius tot 300 kilometer rond hun woonplaats in Pennsylvania. Op deze standplaats, in Breezewood, zijn ze twee dagen per week te vinden. Als ze er ’s middags aankomen – ze werken tot laat in de avond – kondigt Sam hun komst met een liedje aan op CB radio, het tokkelkanaal voor truckers.

Droppin’ into Breezewood

With my 379

And my church on behind

De standplaats in Breezewood is een wereld op zich. Honderden vrachtwagens, eindeloos getokkel in de cabines, rondzwervende zonderlingen. En in het midden een winkelblok met fastfoodrestaurants waar chauffeurs in de kelder douchen, bidden en voetenmassages kopen van Thaise vrouwen. Volgens de prijslijst kan dat oplopen – „wink wink”, zegt Sonnenberg – tot 200 dollar per massage. Niet voor niets noemen truckers de standplaats in Breezewood pickle park: tippelzone.

Het is precies de reden dat Headlight in Trucking hier tweemaal per week present is, zegt Shannon Rust. Waar de ellende het grootste is, neemt de verleiding het sterkst toe; daar moet de kerk een alternatief bieden.

Het betekent ook dat de Rusts meer sociaal werker dan geestelijke zijn geworden. „Wij luisteren naar iedereen, ook mannen die de Heer uit hun leven bannen”, zegt Rust jr. Op zondagen preekt hij in normale kerken, maar hij heeft het allang opgegeven mensen daar uit te leggen wat hij de rest van de week meemaakt. „Dat zouden ze niet aankunnen.”

Het is geduldig werk. Vlak nadat hij ’s middags is aangekomen, kloppen twee jonge chauffeurs aan met kleinigheden. Een vraag over een bijbeltekst, een verzoek om kerkmuziek.

Dat zijn mannen, zegt Rust later, die in de knoop zitten maar er niet voor uitkomen. Hij laat ze zoveel mogelijk praten, dat willen mensen die weken alleen op de weg hebben gezeten. „Veel jonge chauffeurs zijn suïcidaal”, zegt hij. Ze zijn net getrouwd en ervaren het als diepe vernedering dat ze met hun vrouw hun huis uitmoesten. I’m a loser baby, so why don’t you kill me; het gevoel dat muzikant Beck verwoordt in Loser (1993). Volgens Rust is het de moeilijkste groep om contact mee te krijgen.

Ook de hoeren komen bij hem aan. Trillende vrouwen, sommige erg jong, de meesten verslaafd aan metamfetamine. Ze vragen geld voor een maaltijd, maar dat weigert Rust jr.

In plaats daarvan neemt hij ze mee naar het restaurant, waar hij aanbiedt eten voor hen te kopen. Als ze dat niet willen, en dat is bij iedereen het geval, geeft hij ze een bijbel cadeau. De meesten slingeren rond op de standplaats.

De toeloop komt pas goed op gang als Rust jr. zelf op CB radio gaat. Ook hij luistert de hele dag mee, en als zich aan het begin van de avond hoeren op CB radio melden, ‘commercieel gezelschap’ in truckerstaal, breekt hij in als The Parson, de pastor. Het wordt direct stil. Op de parkeerplaats knippen truckers hun licht uit.

Wie zich ziek voelt of gedeprimeerd, zegt hij in de gebroken stem van een preek, wie eenzaam is of angsten heeft, zou ook „de liefhebbende Heer” kunnen overwegen. Het blijft secondenlang stil. „Amen”, zegt Rust jr. met de nadruk op de laatste lettergreep. „Amen”, echoot het door CB Radio.

„Eikel”, roept een jonge stem er buiten achteraan.

In de gesprekken die Rust jr. daarna heeft – de meeste chauffeurs willen niet met hun naam in de krant – blijft in het midden of God de oplossing voor hun misère is. Shannon Rust dringt zijn mening zelden op.

De voorganger en de chauffeurs vinden elkaar in hun afkeer van alles wat groot en ongrijpbaar is: de overheid, de banken, hun bazen, Obama. En ze hebben heimwee naar de jaren zeventig toen de Teamsters, de vakbond van truckers, nog een vuist maakte. „Toen hadden wij tenminste nog een stem”, zegt dominee Rust. „Amen”, reageren de chauffeurs.

De meesten van hen, ook Steve Sonnenberg, verlaten de truck van Shannon Rust laat op de avond met een opgelucht gemoed. Oplossingen weten ze zo gauw niet, maar hun sores zijn benoemd en de daders hebben een naam gekregen.

„Je ziet dat we geen enorme vorderingen maken”, zegt Shannon Rust vlak voordat hij in zijn truck zal wegrijden in de nacht. „Maar mijn vader en ik luisteren tenminste. Dat maken deze mensen bijna nergens meer mee.”