Tolstoj verbannen naar verg e t e l h e i d

Anders dan Tsjechov krijgt Tolstoj geen herdenking van staatswege. De officiële reden is dat geen sterfdagen meer worden gevierd. Een onzin argument, vindt zijn achterkleinzoon.

Alleen de oude graaf is dood. Verder lijkt in Jasnaja Poljana sinds zijn sterfdag op 20 november 1910 niets veranderd. Het witte hoofdgebouw van het landgoed blinkt in de herfstzon.

Bij de stallen spannen knechten paarden voor een rijtuig, dat straks een mollig bruidje moet rondrijden. En ook het badhuis bestaat nog, waar de jonge Lev Tolstoj voor zijn huwelijk in 1844 met Sofia Behrs, de dochter van een hofarts, zijn seksuele verlangens bevredigde bij vrouwelijke lijfeigenen, die hij op bestelling liet komen.

„Zelfs de leren sofa is er nog, waarop de graaf zelf geboren is en de gravin, zoals hij eiste, al hun kinderen ter wereld heeft gebracht”, zegt museumgids Zinaïda. Ze laat de grote salon op de eerste verdieping zien, met de Repin-portretten van Tolstoj en zijn dochter Tatjana, de grote eettafel met de Thonetstoelen en de twee vleugels waarop pianist Aleksandr Goldenweiser Chopin speelde.

In het dorp Jasnaja Poljana zijn de genetische sporen van Tolstojs paringsdrang overal te vinden. „Ik kan er ook niets aan doen dat ik op de graaf lijk”, zegt schilder Slava, die aan de vijver met zijn schetsboek op schoot zit en al zijn hele leven in het dorp woont. Slava is een kopie van zijn biologische erflater: dezelfde grote aardbeineus, borstelige wenkbrauwen en priemende oogjes. Ook heeft hij diezelfde kinderlijke verbazing over alles wat het leven te bieden heeft. „Bent u al bij het graf van Lev Nikolajevitsj geweest?”, vraagt hij. „Vadertje ligt daar zo mooi.”

Een idyllisch bospad voert erheen. Het is niet meer dan een met gras begroeid hoopje aarde. Tolstoj werd op eigen verzoek op die plek begraven, omdat hij op zijn vijfde van zijn oudere broer Nikolaj te horen kreeg dat daar een groen stokje verborgen lag waarmee alle mensen gelukkig konden worden gemaakt. Naar dat stokje zou Tolstoj zijn leven lang zoeken. Tijdens die queeste veranderde hij in een christen-anarchist, die alleen het gezag van God accepteerde en de staat, geweld, het huwelijk, materieel bezit en seks verwierp, hoewel hij zich aan tafel tot aan zijn dood door gehandschoende lakeien liet bedienen, niet onaardig woonde en zijn vrouw keer op keer bezwangerde.

Tolstojs messianisme leidde ertoe dat hij in 1901, kort na het schandaal over zijn door de censuur verboden ‘zedeloze’ roman Opstanding, door de Russisch-Orthodoxe kerk werd geëxcommuniceerd. Niet dat die banvloek iets met religie te maken had – Tolstoj kritiseerde de kerk tenslotte al twintig jaar. Eerder was het zo dat de staat de kerk gebruikte om zijn felste criticus het zwijgen op te leggen. Want Tolstoj geselde het wanbeleid van de overheid onophoudelijk, zoals tijdens de hongersnood van 1891, toen de gouverneurs de hulpgelden inpikten terwijl het volk crepeerde. „Als hij nu zou leven, dan was hij heel erg kritisch geweest over het huidige regime”, zegt de 47-jarige Vladimir Iljitsj Tolstoj, de achterkleinzoon van de schrijver die al zestien jaar het museumlandgoed leidt. „Hij was namelijk een man die niet tegen liegen kon en altijd de waarheid sprak.”

Die waarheid achtervolgt de schrijver nu nog, want honderd jaar na zijn dood lijkt Tolstojs excommunicatie een officiële nationale herdenking van zijn sterfdag tegen te houden. Werd begin dit jaar Tsjechovs 150ste geboortejaar nog uitvoerig op radio en televisie herdacht en vloog president Medvedev zelfs naar Taganrog om er een bloemetje voor zijn geboortehuis te leggen, voor Tolstoj ligt er – op een documentaire bij de slecht bekeken tv-zender Koeltoera en drie kleine plechtigheden in Jasnaja Poljana, het Moskouse Tolstojhuis en zijn sterfhuis in Astapovo na – niets in het verschiet. Het ministerie van Cultuur, dat in Tsjechovs geval al drie jaar van tevoren met de voorbereidingen voor diens herdenking begon, laat het zelfs geheel afweten.

Sommigen vermoeden dat dit gebeurt onder druk van de Russisch-Orthodoxe kerk, die de afgelopen jaren een steeds grotere invloed uitoefent op de Russische cultuur en het onderwijs, waardoor museumconservatoren voor het gerecht worden gedaagd als ze kritiek op religie durven te leveren.

„Concrete bewijzen voor die druk heb ik niet”, zegt Vladimir Iljitsj achter zijn bureau in een bijgebouw van het landgoed. „Maar als het ministerie van Cultuur als officiële reden aanvoert dat we tegenwoordig geen sterfdagen meer vieren, is dat een kul-argument. Tolstojs dood trok indertijd zo’n enorme belangstelling – het was wereldwijd voorpaginanieuws – dat het vreemd is om nu net te doen alsof er niets is gebeurd. Voor mensen van zijn historische betekenis is de datum van hun fysieke dood hun stap naar de onsterfelijkheid.”

Het ministerie van Cultuur zelf heeft nog een andere verklaring voor het ontbreken van een officiële herdenking. „Om zo’n herdenking te organiseren, moeten we als ministerie eerst een bevel daartoe krijgen van de regering”, zegt Tatjana Manilova, plaatsvervangend directeur van de afdeling Cultureel Erfgoed. „En die hebben we niet ontvangen.”

In het verleden hebben Tolstojs nazaten verschillende keren geprobeerd de banvloek ingetrokken te krijgen. Maar zoiets blijkt alleen te kunnen als de geëxcommuniceerde berouw toont. Voor Tolstoj is het dus te laat, aldus Vladimir Iljitsj. „In 2001 was het honderd jaar geleden dat de ban werd uitgesproken. Ik heb toen een brief aan metropoliet Aleksej geschreven met het voorstel een maatschappelijk debat te organiseren waarin geestelijken, theologen en schrijvers erover zouden discussiëren. Tolstoj zelf is tenslotte dood en wij kunnen niet namens hem spreken. Maar met het oog op wat er na 1910 is gebeurd – wereldoorlogen, concentratiekampen, de Goelag – zou de kerk, die toch ook met de tijd meegaat, de ban kunnen heroverwegen en de gelovigen laten weten dat Tolstoj geen antichrist meer is. De hele kwestie kan tenslotte alleen worden opgelost als de metropoliet zich ermee bemoeit en zegt dat Tolstoj niets kwalijks heeft gedaan. Maar ik heb nooit antwoord gekregen.”

Een andere vraag is of de staat de kerk nu opnieuw gebruikt. „In feite heeft iedere Russische regering Tolstoj als kunstenaar geaccepteerd, maar nooit als maatschappelijk denker en publicist”, zegt Vladimir Iljitsj. „Hij is noch voor de tsaren acceptabel, noch voor het socialisme, noch voor de pseudodemocratie van Poetin. Maar je moet tegelijkertijd niet vergeten dat in het huidige Rusland veel afhangt van de persoonlijke sympathieën van de leiders. En president Medvedev houdt nu eenmaal van rockmuziek en de verhalen van Tsjechov.”

Toch steekt het Vladimir Iljitsj dat het sterfjaar van zijn voorouder van officiële zijde onderbelicht blijft. Een sterke staat moet volgens hem zijn briljante geesten respecteren. „Daarom viert Oostenrijk zowel de geboorte- als de sterfdatum van Mozart op zo’n manier dat de hele wereld ervan weet. Je kunt weliswaar aanvoeren dat Rusland misschien wel te veel grote namen heeft, maar zelfs in die lijst zal Tolstoj altijd een speciale plaats innemen en verliest hij niet aan belang door de opstelling van de staat.”

Vader Vladimir Vigilantski, hoofdvoorlichter van de metropoliet, drukt zich aan de telefoon even later pauselijk diplomatiek uit, als hij de starheid van de kerk ten opzichte van de excommunicatie verdedigt. „Ik ben er zeker van dat Tolstojs naam vaak genoemd is door zowel patriarch Aleksej als zijn opvolger patriarch Kirill, wanneer ze het over literatuur hadden. Tolstoj is een groot schrijver en iedereen moet hem lezen, ook gelovigen. Slechts een klein deel van zijn activiteiten op religieus gebied is verbonden met zijn artistieke werk. Natuurlijk is dit deel fel gekritiseerd door de kerk, omdat Tolstoj een sekte schiep. Maar dat verandert niets aan zijn rol van grote Russische schrijver.”

Tolstoj kreeg Jasnaja Poljana samen met nog vier andere landgoederen, zesduizend hectare grond en 330 lijfeigenen toegewezen, toen de bezittingen werden verdeeld van zijn ouders, die overleden toen hij nog een klein kind was. Hij was toen negentien jaar oud. Vanaf die dag in 1847 tot enkele dagen voor zijn dood heeft hij het grootste deel van het jaar op Jasnaja Poljana gewoond.

Alleen aan het eind van zijn leven had hij er genoeg van. Zijn huwelijk verslechterde, omdat zijn vrouw steeds jaloerser werd op de sekteleden die haar man opeisten en hem in zijn fanatisme sterkten. Daar kwam nog bij dat ze, anders dan Tolstoj predikte, geen afstand wilde doen van haar comfortabele aristocratische leventje.

Haar hysterische uitvallen moeten toen door de houten muren van Jasnaja Poljana over de weiden hebben geschald. Maar in het huis, dat zijn knusheid en sfeer vooral aan haar dankt, straalt alles een eeuwige harmonie uit. „De graaf hield ervan om mensen te ontvangen en zomaar wat met hen te kletsen”, zegt gids Zinaïda. „Maar Sofia Andrejevna moest het allemaal organiseren.”

In de nacht van 9 op 10 november 1910 bereikten Tolstojs ergernissen een kookpunt. Hij wekte zijn lijfarts en zei hem zijn medicijnen te pakken. Toen wekte hij zijn dochter Sasja. „Ik vertrek onmiddellijk, voorgoed – help me pakken”, zei hij tegen haar. Om zes uur ’s ochtends vetrok zijn rijtuig naar het spoorstation van Jasnaja Poljana twee kilometer verderop. Een uur later stapte hij op de trein naar het Optyna Poestynklooster, vanwaar hij verder wilde reizen naar Rostov aan de Don. Een uitgestippelde route had hij niet. Zijn overstappen leken alleen bedoeld om Sofia, die hem mogelijk zou achtervolgen, op een dwaalspoor te brengen. Opvallend is dat hij iedere stap in zijn dagboek opschreef, alsof het de basis moest vormen voor zijn laatste roman en hij buiten zijn eigen werkelijkheid was gaan staan om een nieuwe Anna Karenina te worden.

Na drie dagen kreeg hij koorts en stapte hij uit in het dorp Astapovo waar hij bij de stationschef zijn intrek nam. Buiten verscheen binnen de kortst mogelijke tijd de wereldpers, die hem sinds zijn vlucht al achtervolgde en nu van uur tot uur over zijn toestand berichtte. Sofia arriveerde ook, maar werd door haar kinderen niet tot haar man toegelaten. Op 20 november om vijf over zes ’s ochtends stierf de wereldverbeteraar aan de gevolgen van een verwaarloosde longontsteking, waarmee hij al tijden sukkelde. Zijn laatste gang was die naar Jasnaja Poljana.