'Studentje, alle kaas is graskaas'

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, een bundel grappige citaten: ‘Wie werkt als een paard, is een ezel.’

Ik was nog een jonge provinciaal toen ik voor het eerst de Amsterdamse Ten Kate-markt betrad. Ik was op zoek naar een stukje van de allerjongste kaas, gemaakt van melk van koeien die, na een lange winter op stal, voor het eerst weer in de wei hadden gelopen en daar van het verse gras hadden gegeten. Ik wist niet beter dan dat deze kaas graskaas heette. Daar zag ik al een kaaskraam. Dus vroeg ik aan de man achter de kraam: ‘Mag ik een stukje graskaas van u?’

Hij keek mij moeilijk aan. Het leek wel alsof hij niet wist waarover ik het had, maar dat wilde hij niet laten blijken tegenover zo’n snotneus als ik. Hij besloot zich er uit te bluffen. De vlucht naar voren. Hij zuchtte, alsof hij nog nooit zo’n domme vraag had gehoord, en zei toen op vermoeide toon: ‘Graskaas? Graskaas? Alle kaas is graskaas, toch?’ Het was een briljante uitvlucht. Ik stond met de mond vol tanden, hakkelde nog wat, maar begon toen aan mezelf te twijfelen. De kaasboer wendde zich al weer van mij af. Hij had daar een hele kraam kaas voor zich, in zijn ogen allemaal uitstekende ‘graskaas’, en als meneertje het studentje daaruit geen keus kon maken, dan moest meneertje maar ophoepelen.

Het is al heel lang geleden. Ik ben steeds op zoek gebleven naar het antwoord dat ik toen had moeten geven. Maar nu weet ik het. Ik had ook een beetje moeten zuchten, mijn blik meewarig over de uitgestalde kazen moeten laten gaan en daarna op lijzige toon moeten zeggen: ‘Je hoeft niet aan een boom te hangen’, lange pauze, ‘om een eikel te zijn’. Ik denk niet dat mijn kaasmannetje daar iets op terug had gehad. En al helemaal niet als hij was gaan nadenken over de tweede, meer lugubere bijbetekenis die erin opgesloten zit: je hoeft jezelf niet aan de hoogste boom op te knopen om nu al een eikel gevonden te worden. Het klinkt als een oude Amsterdamse volksspreuk, maar dat is het niet. Het is een citaat van Johan Terryn (1969), Vlaams auteur en radio- en tv-presentator. Het werd opgetekend door beroepscitatenverzamelaar Gerd de Ley en opgenomen in een boekje met nog vijfhonderd andere grappige citaten, zonder verdere bronvermelding en dus zonder verdere context. Wat is het nut van zo’n boek, behalve dan dat het mij vele jaren te laat alsnog van een gevat antwoord op een gevatte vraag voorziet? Het is natuurlijk bedoeld om ons te laten lachen, liefst vijfhonderd keer.

Je hoeft niet lang te lezen om te ontdekken wat ik indertijd op de Ten Kate-markt, hoek Hasebroekstraat, ook al ontdekte: er zijn veel verschillende soorten humor. Er is kantoorhumor: ‘Wie werkt als een paard, is een ezel.’ (Maurice Geeroms). Er zijn melige woordspelingen: ‘Zij was een van die vrouwen die liever opzien baren dan kinderen’ (C. Buddingh’). Er zijn heel veel ouderwetse grappen over seks, vrouwen en overspel. En er zijn gelukkig ook, naast het titelcitaat, veel goede grappen, van bekende en minder bekende schrijvers. Van Johann Georg August Galletti: ‘Of Homerus geleefd heeft, weten wij niet. Maar dat hij blind was, staat vast.’ Van Herman Finkers: ‘Nee, ik ben niet getrouwd. Mijn schoonouders konden geen kinderen krijgen.’ En er staan nuttige tips in, waar je later nog veel aan kan hebben. Van Clarence Day (1874-1935), Amerikaans essayist: Als jij niet naar de begrafenis van anderen gaat, zei hij, dan komen zij ook niet naar de jouwe.’

Je hoeft niet aan een boom te hangen om een eikel te zijn & andere grappige citaten. Samenstelling Gerd de Ley. Lannoo, 96 blz. € 9,95.