Prehistorisch geraamte

‘Race to the End of the Earth’ heet de tentoonstelling in het American Museum of Natural History. Het gaat daar niet over het einde der tijden op onze planeet, maar de wedstrijd tussen de twee ontdekkingsreizigers, de Noor Amundsen en de Brit Scott, met als inzet wie er het eerst op de Zuidpool zou zijn.

Een prachtige tentoonstelling, met vroege, authentieke filmbeelden, een rijkdom aan fotomateriaal, oorspronkelijk gereedschap, dagboeken, alles waardoor je je in die barre tochten kunt inleven. Amundsen heeft gewonnen. Daarmee was ook de op één na laatste plaats op aarde door mensenvoeten betreden. De laatste is de top van de Mount Everest, bereikt door Sir Edmund Hillary en de sherpa Tensing, ergens in de jaren vijftig. Daarna was het de beurt aan de Maan en misschien komt binnenkort Mars binnen ons bereik.

Maar nu dit museum. Net als alle andere grote musea in deze stad een voorbeeldige instelling. Grote diorama’s laten je zien hoe het hier was voor de mens zijn intrede deed. En dan zijn er de tastbare bewijsstukken. Overblijfselen van klein gebroed, torren en vliegen, en dan, zoals je in het Louvre plotseling oog in oog met de Mona Lisa staat, zo kom je onvermijdelijk aan het prachtstuk, de Tyrannosaurus rex. Telkens weer niet te geloven. En altijd weer ben ik blij dat ik indertijd de film Jurrasic Park heb gezien. Daarin speelt hij een hoofdrol. Er is een wat kneuterig verhaaltje omheen geweven waarin een oplichter zijn verdiende loon krijgt, maar dat moet je voor lief nemen. Het gaat erom dat je de voorwereldlijke dieren in een natuurgetrouwe animatie ziet.

In Jurassic Park grazen de brontosaurussen, de triceratops gaan op roof, en dan komt de tyrannosaurus die feitelijk de hoofdrol speelt. De oplichter voelt onheil, hij verstopt zich op de wc. Maar de tyrannosaurus laat zich niet bedriegen, hij nadert met zware stappen wat hier wordt geaccentueerd door het gerinkel van een theekopje op het schoteltje, en dan ontdekt hij de schuilplaats. De oplichter wordt letterlijk van de pot gerukt. In de zaal ging toen een hoeraatje op.

Terug naar dit museum. Daar staat dit geraamte, altijd weer groter dan ik het in mijn geheugen had bewaard. Nog meer fauna uit de prehistorie, allemaal van een geweldige vervaarlijkheid. Maar dit wezen slaat alles. En het wordt omringd door opgewonden kinderen. Dat is het eigenaardige met de prehistorische wereld: vooral kinderen worden erdoor aangesproken. In de kast van mijn vader stond een boek, De wereld voor de schepping van den mensch, van Gustave Flammarion, rijk geïllustreerd met staalgravures. Die zijn op een of andere manier indrukwekkender dan foto’s. Denk ook aan de plaatjes in de oorspronkelijke uitgaven van Jules Verne en Paul d’Ivoi. De illustrators uit die tijd wisten de situaties dramatischer te maken dan de digitale artiesten van nu. Dankzij Flammarion heb ik al vroeg met de tyrannosaurus kennis gemaakt.

De prehistorie en de geschiedenis van de ontdekkingsreizen horen tot de onvergetelijke herinneringen en het plezier van mijn jeugd. De opwinding van de kinderen in dit museum doet me vermoeden dat ze over vijftig, zestig, zeventig jaar over dezelfde ervaringen zullen vertellen. Zo’n zorgvuldig ingericht museum is geen linkse hobby. Het geeft je een kostbare en onvergetelijke ervaring.