Poep op de stoep, slop op het erf

Auke van der Woud beschrijft de sloppen als een onderwereld die de 19de-eeuwse burgers nooit betraden en die de 21ste-eeuwse lezer versteld doet staan, constateert Bernard Hulsman.

Auke van der Woud: Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Bert Bakker, 440 blz. € 19,95

Met zekere regelmaat merken columnisten op dat Nederlandse steden smoezelig en sjofel zijn. Meestal zijn ze dan een tijdje in München, Berlijn of een andere Duitse stad geweest en valt het hun bij terugkeer plotseling op dat de Nederlandse straten zijn geplaveid met kauwgum en de muren beklad met graffiti. Soms voegen ze aan hun klacht toe dat de sjofelheid des te opmerkelijker is omdat Nederlanders vroeger juist bekend stonden om hun properheid. Tot ver in de twintigste was het vegen van de stoep een nationale deugd, nietwaar.

In Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de 19de eeuw maakt Auke van der Woud korte metten met de Nederlandse properheid. Het gaat hier om een hardnekkige mythe. In de 19de eeuw waren Nederlandse steden ontstellend smerige stankbellen. De stedelijke grachten en rivieren waren open riolen die ook nog als vuilnisbelten dienden, zo laat de hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis in zijn nieuwe boek tot in de goorste details zien. En een groot deel van de Nederlandse steden bestond uit achterbuurten: halverwege de 19de eeuw woonde de helft van de vier miljoen Nederlanders in één- of tweekamerwoningen, zo becijfert Van der Woud. Vaak waren dat krotten. Ook veel Nederlanders zelf waren haveloos. Ziekelijk bleek, mager door ondervoeding, ‘traag door aardappelenbloed’ en gehuld in lompen, deden de krotbewoners zonder gêne hun behoefte op straat.

Ook een andere mythe sneuvelt in Koninkrijk vol sloppen. Al in het voorwoord weerspreekt Van der Woud de algemene opvatting dat Nederland een burgerlijke cultuur heeft. ‘Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk’, zo citeert hij Nederlands beroemdste historicus Huizinga. Maar in de 19de eeuw was dat in ieder geval niet zo: de helft van de Nederlandse bevolking leidde beslist geen burgerlijk leven. Tussen de proletariërs in hun achterbuurten en de burgers in de betere delen van de steden bestond toen een diepe kloof, schrijft Van der Woud: ‘De samenleving bestond uit twee heel verschillende werelden. Die waren elkaar niet per se vijandig gezind, misschien was er zelfs wel een betrekkelijke harmonie, maar toch waren ze essentieel gescheiden.’

Pierre Cuypers

Met zijn ontmythologiseringen past Koninkrijk vol sloppen in het rijtje studies van het 19de- eeuwse Nederland die Van der Woud de afgelopen kwart eeuw heeft geschreven. In Waarheid en karakter (1997) toonde hij aan dat de 19de-eeuwse architectuurgeschiedenis meer was dan een opeenvolging van armzalige neostijlen waaraan alleen de rationalisten Pierre Cuypers en Hendrik Berlage wisten te ontsnappen. Een nieuwe wereld (2006) liet zien dat, anders dan vaak gedacht, de 19de eeuw helemaal niet aan Nederland voorbij ging. Ook dit land was vanaf 1850 grondig onder handen genomen en gemoderniseerd. In Sterrenstof (2008) stootte hij Berlage van zijn troon. Eerder dan de vader van de modernistische architectuur bleek Berlage in hierin een conservatieve traditionalist.

Met elk boek wordt Van der Woud een betere schrijver. Las zijn wat al te degelijke Het Lege land (1987) door de lange opsommingen en beschrijvingen van de vroeg 19de-eeuwse Nederlandse wilde landschappen nog moeizaam, Koninkrijk vol sloppen is snel en puntig. Aan alle aspecten van de Nederlandse sloppen en stadsvuil – van de geuren in de achterbuurten tot de aanleg van riolen – wijdt hij een kort, levendig hoofdstuk vol citaten uit kranten, tijdschriften, overheidsrapporten en literaire werken van schrijvers als Israël Querido. Bovendien wordt bijna elk hoofdstuk voorafgegaan door een foto van Nederlandse sloppen, vaak van Henri Berssenbrugge (1873-1959). Van der Woud voelt zich verwant met deze fotograaf. ‘Protesteren tegen ellende en onrecht was niet zijn thema’, schrijft hij over Berssenbrugge. ‘Zijn project was mensen die geen cent te makken hadden in hun waardigheid tonen, en dat met onvoorwaardelijke aandacht te doen: door mee te genieten met het kindje dat door een morsige steeg huppelt, [...], door te gieren en te brullen met straatjongens op Koninginnedag.’

Dat de Nederlandse cultuur altijd als burgerlijk is beschouwd, komt misschien doordat de wereld van het proletariaat altijd verborgen is gebleven, en nu is verdwenen. Van der Woud beschrijft de sloppenwijken als een onderwereld die de 19de-eeuwse gegoede burgers nooit betraden en die de 21ste-eeuwse lezer versteld doet staan. Het was moeilijk om burgerlijk en fatsoenlijk te leven in de vochtige bouwvallen waar gemiddeld vijf mensen leefden in kamertjes van tien vierkante meter zonder ramen, stelt Van der Woud vast: ‘Het onfatsoenlijke leven zat in de ruimtelijke structuur, in de architectuur van de sloppen en stegen opgesloten.’

De achterbuurten, vol ‘gangen’ en ‘spleten’, zoals de nauwe stegen werden genoemd, bevonden zich achter de huizen langs de doorgaande straten. Oorspronkelijk hadden die huizen meestal tuintjes, zoals in Amsterdamse Jordaan, de bekendste, 19de-eeuwse achterbuurt van Nederland die in de 17de eeuw was gebouwd. Maar in de loop van de tijd werden de tuinen volgezet met schamele bouwsels die werden verhuurd. Zo waren de achterbuurten vrijwel aan het zicht onttrokken en konden ze gemakkelijk worden genegeerd door de rest van de stad. Alleen een arts of onderzoeker die voor de overheid de armoede in kaart bracht, doolde langdurig rond in de onderwereld en getuigde na terugkeer van de verschrikkingen die ze daar hadden aangetroffen.

Pas aan het einde van de 19de eeuw leidden hun berichten uit de onderwereld tot een voorzichtige verbetering van het helse leven. In de Jordaan bijvoorbeeld bouwden particuliere weldoeners en woningbouwverenigingen op verschillende plekken goede arbeiderswoningen, met een wc.

Koninkrijk vol sloppen gaat voor een groot deel over de verwerking van drek en vuilnis. Uitgebreid vertelt Van der Woud wat Nederlandse steden met de kolossale hoeveelheden stront en vuilnis van hun bewoners deden. Groningen bijvoorbeeld had eeuwenlang een gemeentelijke dienst die de inhoud van poepdozen verzamelde en de stadsmest met winst verkocht aan boeren, een vroeg voorbeeld van recycling. Amsterdam liet aan eind 19de eeuw in achterbuurten het Liernurstelsel aanleggen, een naar de ontwerper genoemde combinatie van watercloset en pneumatische buizenpost waarin de ontlasting onder hoge druk werd weg gespoten naar grote beerputten. Amsterdam verving dit kostbare en kwetsbare systeem begin 20ste eeuw door de nu gebruikelijke riolering. Veel andere Nederlandse steden waren al eerder met de aanleg hiervan begonnen.

Nederland was laat met de aanpak van de achterbuurten en de aanleg van rioleringen. De Woningwet die de basis werd van de beroemde Nederlandse sociale woningbouw en ruimtelijke ordening dateert van 1901, vele jaren nadat bijvoorbeeld het Britse parlement een vergelijkbare wet had aangenomen. Van der Woud geeft hiervoor verschillende verklaringen. De belangrijkste is dat Nederlandse politici een grondige afkeer hadden van ingrijpen door de rijksoverheid. De tweede helft van de 19de eeuw was het tijdperk van laisser faire, een reactie op het eerdere centrale bestuur van de koningen Willem I en II dat had geleid tot stagnatie.

De revolutionaire, liberale Nederlandse Grondwet van 1848 bepaalde dat armoede en gezondheid zaken voor de gemeenten waren. Maar die deden daar weinig aan, omdat er volgens Van der Woud geen draagvlak was voor armoedebestrijding: armoede werd algemeen beschouwd als onderdeel van de natuurlijke of goddelijke orde.

Bij armoede hoorden sloppen. Die waren dan ook, net als armoede, van alle tijden. Er is volgens Van der Woud niets dat erop wijst dat er in eerdere eeuwen dan de 19de geen achterbuurten waren. Bovendien was armzalige behuizing niet alleen een stedelijk verschijnsel. Ook op het platteland woonden de armen, vaak in hutten, onder erbarmelijke omstandigheden. Het enige verschil met de voorgaande tijd was dat na 1870 het aantal sloppen in de Nederlandse steden snel toenam door de massale trek van plattelandbewoners naar de steden. Ook bij verklaring hiervan kan Van der Woud het niet laten om een gebruikelijke opvatting te bestrijden.

Gewoonlijk wordt de trek naar de stad verklaard door vernieuwingen in de landbouw die veel landarbeiders werkloos maakten. Maar daar zijn eigenlijk helemaal geen bewijzen voor, schrijft Van der Woud. Hij citeert een sociaal geograaf die in 1933 vaststelde dat er weliswaar veel was getheoretiseerd over de migratie van de plattelandsbevolking maar dat er feitelijk ‘zo goed als niets’ over bekend was. ‘Deze situatie is nu, bijna 80 jaar later en met meer gegevens, nog niet veel beter’, voegt hij eraan toe. Zo blijft de trek naar de stad, de bron van veel woonellende, een raadsel.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In het artikel ‘Poep op de stoep, slop op het erf’ staat de verkeerde prijs (€ 19,95) vermeld van Koninkrijk vol sloppen van Auke van der Woud. De juiste prijs is € 29,95. Ook was de rechter kolom van de bespreking in de verkeerde volgorde in de krant gekomen. Het artikel met de woorden in de juiste volgorde is te lezen op www.nrcboeken,nl.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Door een fout in het zetsysteem was de laatste kolom van de recensie van het boek van Auke van der Woud (Poep op de stoep, slop op het erf, Boeken 19 november, pagina 7) door elkaar gehusseld. Het hele stuk staat in correcte vorm op www.nrcboeken.nl