Oude rocker

De dokter ontdekt een kwetsbaar plekje op de stembanden van Levon Helm. Het kán kanker worden, waarschuwt hij. Helm blijft er uiterlijk kalm onder, maar hij moet hevig geschrokken zijn. Tien jaar eerder manifesteerde zich voor het eerst keelkanker bij hem. Met radiotherapie werd het gevaar bezworen. Gaat hij een nieuwe beproeving tegemoet?

Het is een sleutelscène uit de documentaire Ain’t in It for My Health, die gisteren voor het eerst op het documentairefestival IDFA in Amsterdam vertoond werd. Zaal 4 in Tuschinski zat vol – een mooi eerbetoon aan een van de beste popmuzikanten van zijn tijd, de inmiddels 70-jarige Levon Helm. Hij was de drummer-zanger van The Band, een groep die in de jaren zestig en zeventig legendarisch werd met een eigenzinnige mengeling van folk, blues en country & western.

Toen ik later thuis wat platen van The Band uit mijn kast pakte, viel er een knipsel uit de Volkskrant uit, gedateerd 7 juni 1971. Een kritiek van poprecensent Elly de Waard. Ze was naar een optreden van The Band in het Amsterdamse Concertgebouw geweest. „The Band is met The Mothers of Invention de beste groep die ooit in het Concertgebouw heeft gestaan”, schreef ze. „The Band speelt naar eigen zeggen niets meer dan ‘rock and roll’, maar het is dan wel de meest ver-gaande rock and roll die ik ooit gehoord heb.”

The Band was een Canadese groep met Helm als enige Amerikaan. Ze maakten in 1969 en 1970 twee schitterende platen. „Daarna was het voorbij”, zegt Helm in de film. Ze werden beroemd, stortten zich op drugs, drank en vrouwen – je bent popartiest of je bent het niet – en kregen onderling herrie. Die herrie hebben ze nog steeds, althans Levon Helm en Robbie Robertson, de beste songwriter van het stel. Robertson werd rijk van hun liedjes, Helm moet nog steeds optreden om zijn ziektekosten te kunnen betalen.

Het stemt hem bitter, zeggen zijn vrienden. Robertson zou veel van zijn liedjes gebaseerd hebben op materiaal dat Helm aandroeg. Zelf wil hij er niet meer over praten. Regisseur Jacob Hatley mocht hem drie jaar lang volgen – op weg naar optredens en thuis in Woodstock.

Waarom maak je zo’n film? Hatley kwam het ons zelf uitleggen. „Het ging mij erom: wat gebeurt er met een rockster als hij niet doodgaat?”

Het is een film geworden over vergane glorie die niet van opgeven weet. Helm hangt sterk aan het leven, hij is een bevlogen muzikant die nog steeds goede muziek maakt. De titel van de film is ontleend aan een anekdote uit 1975. Robertson stelde Helm voor de band op te heffen, voordat de gezondheid van de leden ‘beschadigd’ zou worden. Helm had uitgeroepen: „Ik ben verdomme een muzikant, ik ben geen muzikant geworden voor mijn gezondheid.”

Hij rookt dan ook nog steeds sigaartjes, bijna triomfantelijk. Maar de uitputting laat zich niet altijd onderdrukken. In de schrijnendste scènes zien we hem, met gesloten ogen achterover leunend in zijn stoel, luisteren naar een collega uit zijn huidige band die werkt aan onvoltooide teksten van Hank Williams. Het is alsof Helm langzaam wegzakt in de dood terwijl de man telkens geestdriftig voorleest: „My lonely heart holds no hatred or blame...”

Hoe gaat het nu met Helm, wilden we nog van Hatley weten. „Zijn stem is de laatste tijd niet goed”, zei hij.

We waren er al bang voor.