Mogen wij ons gelukkig prijzen?

Roger Scruton: Het nut van pessimisme. En de gevaren van valse hoop. Nw A’dam, 240 blz. €20.

Sebastien Valkenberg: Geluksvogels. Of waarom we het nog nooit zo goed hadden. Ambo, 239 blz. €18, 95.

Leven we in de beste, de slechtste, of de saaiste van alle werelden? Er zijn vermoedelijk niet veel filosofen die de laatste optie kiezen (sommige existentialisten komen in de buurt). Maar de eerste keus wordt verdedigd door Leibniz, de tweede spreekt uit het werk van Schopenhauer – hoewel die elke denkbare wereld een slechte vond. Dat waren dan nog een 17de- en een 19de-eeuwse denker. In de moderne wereld heeft de vraag een nieuwe urgentie gekregen. Dat is immers het tijdperk van de wereldoorlogen en Auschwitz, maar ook van enorme vooruitgang in levensverwachting en -kwaliteit, de eerste mens op de maan en veel meer moois.

Voor de jonge filosoof Sebastien Valkenberg (1978) overheerst nu het goede. We leven in een prachtige tijd, maar mensen praten zichzelf zoveel ellende aan dat ze dat niet beseffen. Op de vraag in welke tijd ze hadden willen leven, noemen bijvoorbeeld maar heel weinig mensen hun eigen tijd, noteert hij. Aan de hand van actuele kwesties, persoonlijke ervaringen en grote filosofen probeert Valkenberg vervolgens in zijn nieuwe boek Geluksvogels dat pessimisme wat te verlichten: open je ogen en je ziet dat het leven in deze tijd wél mooi is. We leven langer, veiliger, beter en kansrijker dan ooit tevoren. Alle reden voor optimisme, dus.

Bij de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton (1944) gaat het precies andersom. In Het nut van pessimisme beschrijft hij een wereld van ‘gewetenloos optimisme’. Moderne illusies van vrijheid, gelijkheid, maakbaarheid en zelfontplooiing hebben van de samenleving een duistere kerker gemaakt, waarin socialistisch conformisme regeert en dissident talent – zoals het zijne – genadeloos wordt uitgestampt. Mensen die ten prooi vallen aan moderne waandenkbeelden raken die ook ‘nooit meer’ kwijt, ‘zodat ze voor altijd in duisternis wandelen’.

De twee boeken hebben niet alleen een andere toonzetting, maar ook een andere opzet. Het nut van pessimisme is glashelder geschreven – zoals bij Scruton gebruikelijk – en heeft een dwingende redeneertrant. Valkenberg is associatiever en minder dogmatisch – maar ook minder streng – in zijn redeneringen. Hij heeft soms last van oubollig taalgebruik en doet ook nogal eens ouwelijk. Zo schrijft hij over Nikes en Levi’s als ‘belangrijke attributen om de puberteit ongeschonden door te komen’. Gelukkig, ‘was het bepaald geen uitgemaakte zaak dat ik de felbegeerde kledingstukken daadwerkelijk kreeg’. Dit bij wijze van pleidooi voor strenge moeders.

Toch zijn de babyboomer Scruton en de dertiger Valkenberg, met hun op het eerste gezicht zo uiteenlopende tijdsdiagnoses, ook geestverwanten. Beiden hebben een antirevolutionair temperament: hervormingen moeten geleidelijk gaan, en alles heeft een keerzijde. Beiden hebben een beschaafde neus voor mooie dingen – boeken, films, architectuur –én een groot vertrouwen in het gezonde verstand van ‘gewone mensen’. De ellende komt bij beiden ook niet toevallig vaak van andere filosofen. Alleen is Scruton een geboren dwarsligger, die meesterlijk kan sarren en schmieren, terwijl Valkenberg zich vriendelijk verbaast: hoe kan hetdat de mensen hun zegeningen niet tellen?

Ook hun diagnoses komen bij nadere inspectie gedeeltelijk overeen. Scruton en Valkenberg zetten zich beiden af tegen marxistische maatschappijkritiek zoals die vanaf de jaren zestig school maakte onder intellectuelen: de opvatting dat de kapitalistische, westerse samenleving schuldig is aan vervreemding en onderdrukking wereldwijd, en moet worden hervormd of zelfs afgeschaft. Beiden zetten zich ook af tegen de gevierde auteurs uit dat tijdperk, zoals Marcuse, Horkheimer en Adorno, of Foucault en Chomsky. Alleen, dat linkse, ‘kritiese’ wereldbeeld krijgt bij Valkenberg het etiket ‘pessimisme’ opgeplakt (‘Waarom links nooit lacht’, luidt een van zijn hoofdstuktitels), wegens het negativisme en de zwartgalligheid over de eigen samenleving. Terwijl hetzelfde wereldbeeld bij Scruton ‘optimisme’ heet, wegens het geloof in revolutie, maakbaarheid en de Nieuwe Mens. Achter dat linkse optimisme gaat volgens Scruton – en hier raken de twee filosofen elkaar – in feite een diep pessimisme over de mens schuil. Die is volgens het marxisme immers gevangen in een vals bewustzijn en moet ideologisch worden heropgevoed. Voor de gevolgen: zie de 20ste eeuw. Scruton stelt daar een conservatief pessimisme tegenover dat rekening houdt met – en genoegen neemt met – de menselijke natuur zoals die nu eenmaal is. Hij stelt zijn vertrouwen, zoals het een Britse conservatief betaamt, niet in utopische vergezichten, maar in beproefde tradities en instituten: de common law, het gezin en de kerk.

Het aanzienlijke verschil tussen beide auteurs is hun basishouding tegenover de westerse moderniteit. Scruton ziet na 1789 en 1968 verval en duisternis: we leven in nieuwe Dark Ages. Hij komt daarmee dicht in de buurt van de Nederlander Rob Riemen, die in zijn mini-essay De eeuwige terugkeer van het fascisme (zie Boeken p.6) zijn afkeer de vrije loop laat van de 20ste-eeuwse ‘massasamenleving’ en de ‘massamens’, waarvan volgens hem het fascisme – dat hij belichaamd ziet in de PVV van Geert Wilders – een ‘logische’ consequentie is.

Riemens radicale diagnose is uiteindelijk net zomin overtuigend als die van Scruton. Iemand die de toestand van de wereld zo eenzijdig typeert, miskent de creatieve (en destructieve) dynamiek van de moderniteit. We leven in een nivellerende maar ook in een meritocratische samenleving (vraag maar na op een vmbo-school); we zijn niet alleen technocraten, maar ook romantici, niet alleen angstig en xenofoob maar ook universalistisch en kosmopolitisch.

Valkenberg is een stuk milder en genuanceerder over de moderne cultuur, en dat pleit voor hem. Zijn betoogtrant is ook sympathieker. Het nadeel is dat hij filosofisch ook minder uitgesproken is. Zo zwart-wit als bij Scruton hoeft niet (liever niet zelfs), maar iets minder speels en fragmentarisch zou deze jonge filosoof – die weinig affiniteit met het postmodernisme heeft – wel mogen zijn. Wat je van zijn boek overhoudt, is een vrolijke poging te laten zien hoezeer we onszelf, anno 2010 in Nederland, gelukkig mogen prijzen. Dat is mooi, zeker als we er de builenpest, godsdienstoorlogen en het gebrek aan brillen van vroeger even bij halen.

Maar wordt dat echt zo weinig beseft als Valkenberg suggereert? Hij verbaast zich erover dat zo weinig mensen op de vraag in welke tijd ze hadden willen leven, hun eigen tijd noemen. Maar dat lijkt me een misverstand. In die vraag ligt immers al de implicatie besloten dat het gaat om een andere tijd dan die waarin hij wordt gesteld. Bovendien, wie zich in een andere tijd verplaatst, ziet zichzelf natuurlijk, ondanks de builenpest, altijd in een comfortabele positie: liever keizer Nero op de tribune van het Colosseum dan een christen in de arena.

Blijft staan dat beide boeken prikkelen tot nadenken over de zegeningen en uitwassen van de moderne tijd. Zijn die noodzakelijk met elkaar verbonden, en brengt kernenergie altijd een atoombom met zich mee? Of zijn ze los verkrijgbaar? Niet volgens Scruton: alleen een conservatieve revolutie, een massale inkeer, kan ons redden. Hoewel die inkeer toch eerder elitair zal zijn, begrijpen we uit zijn boek, want ‘de massa’ is zelf een kwaadaardig modern verschijnsel.

Hoe de vraag bij Valkenberg moet worden beantwoord is onduidelijker. Hij heeft een scherp oog voor het creatieve karakter van de moderniteit, maar de destructieve kanten blijven achterwege. Schuilt er in de moderniteit ook iets wat aberraties produceert? Laat hij daar in een volgend boek eens werk van maken.