Lachzwijm

Toen ik een jaar of dertien was, kreeg ik als uit het niets de slappe lach. Ik hoefde mijn vriendin Martje maar aan te kijken of het giechelen begon. De manier waarop ze haar wenkbrauwen fronste of licht schudde met haar hoofd volstond om mij in schateren te doen uitbarsten.

Ik geloof dat dit onbedaarlijk lachen voortkomt uit herkenning – we vinden dit beiden grappig – en afzetten tegen de omgeving. Wie eenmaal over de grond rolt, hikkend en snotterend van onmacht, maakt zich onuitstaanbaar.

Dit lachen is aanstekelijk. Het maakt de lacher ziek. Zij kan niet meer ophouden. Ook niet als ze zou willen. Iemand hoeft maar foute sokken te dragen, te vaak hetzelfde te zeggen, of doen denken aan een eerder voorval dat gegrinnik opwekte, of ze valt in lachzwijm.

Het hoort bij meisjes van dertien. Ze kunnen alles belachelijk maken en zich overal van distantiëren. Sissen, ‘stil’ zeggen of een wijsvinger voor de mond houden, maakt het alleen maar erger. Deze meisjes wéten dat ze niet mogen lachen. Je kiest de slappe lach niet, je krijgt hem.

Echte buikpijn van het lachen had ik lang niet gehad. Tot vorige week zaterdag, toen er bij de voorstelling Alligators in Frascati WG een joelende reus het podium op rende, een man die een vrouw op zijn schouders droeg. Het hoofd van de man ging schuil onder een enorm joggingpak en vormde de deinende bierbuik van de reus. Het vrouwenhoofd had het perfecte kapsel voor deze reus: als vrouwenkapsel elegant, als mannenkapsel vreemd, met een pony boven een lang gezicht, en haar dat om de kaken schommelde van het hoofd dat heen en weer werd geschud door het torsende onderlijf. De reus kon geen moment stilstaan. Pure opwinding verbeeldde hij. ‘Yeah! Wow!’ stootte hij uit, naast andere klanken die een universele lompe kretentaal vormden.

Een theatermedewerker stond op het podium en vroeg of de microfoon in orde was. ‘Yeah! Yooh! Dahdah!’ De reus snelde over het podium, terwijl het vrouwenhoofd met haar mond de klanken nadeed die het onderlijf uitstootte. Misschien kwam het omdat ik naast mijn vriendin Maxine zat, die ik maar hoef aan te kijken om te weten wat ze denkt. Tranen rolden over mijn gezicht. Ik zag Maxine schudden in haar stoel. Ik had het niet meer voor mogelijk gehouden maar er rees zowaar een gehinnik uit mijn onderbuik omhoog.

Tergend langzaam verscheen er een tafel met een wit kleed erover dat tot de grond reikte. De tafel werd overduidelijk bewogen door iemand die eronder was gekropen en op handen en voeten het meubelstuk voortsleepte. Ik weet niet meer of dit nu echt grappig was, of dat de slappe lach als een tornado alles in mijn lachsalvo meesleurde. Ik hing – misselijk van het lachen – voorover in mijn stoel terwijl de tafel na een korte aarzeling in de coulissen verdween.

Ons geschater hield nog lang aan. Ook toen er helemaal niets grappigs meer te zien was. De lach hield zichzelf gaande. Ik lachte omdat ik had gelachen en ik lachte omdat ik lachte en omdat Maxine lachte en we bleven maar lachen.

Iemand siste.

We waren dertien en onuitstaanbaar.

Maandag 29 november interviewt Birgit Donker Maria Barnas over haar nieuwe boek ‘Fantastisch’ in Spui25, Amsterdam, 20u. Toegang gratis, wel moet u zich aanmelden via www.spui25.nl.