Huizinga is een deel van mij

Lisa Jardine houdt de 39ste Huizinga-lezing. Een gesprek over Johan Huizinga, Nederlandse tolerantie en het maken van fouten. „Nederlandse historici nemen nooit risico’s.”

Professor Lisa Jardine CBE, historian and Chair of the Human Fertilisation and Embryology Authority (HFEA), London, Britain

Lisa Jardine praat even gemakkelijk over de invloed van dichter-diplomaat Constantijn Huygens op het zeventiende-eeuwse culturele leven in Nederland en Engeland als over de laatste films, de iPad of het belang van mooie lingerie. Ze noemt zichzelf een optimistische historicus, die gelooft dat je de wereld kunt verbeteren door mensen wijzer te maken. Niet voor niets is ze gespecialiseerd in de periode van 1500 tot 1700, toen kennis zich verspreidde en de moderne wetenschap werd geboren. De hoogleraar aan de Universiteit van Londen schrijft over een variëteit aan onderwerpen: van wetenschappers tot de rol van vrouwen in het werk van Shakespeare.

Jardine houdt van Nederland, zegt ze. Ze komt er vaak en verheugt zich al op de lezing binnenkort, die is vernoemd naar de Leidse historicus Johan Huizinga (1872-1945). Jardine is een aanstekelijk verteller, die associatief praat, veel lacht en om te illustreren hoe belangrijk behalve het geestelijke het materiële voor haar is, pardoes haar kanten bh laat zien. „Draag altijd een stukje kant.” Het is cruciaal, vindt ze, om als vrouw in een hoge positie belangstelling te houden voor zaken die vrouwen belangrijk vinden. Zeer serieus is Jardine als ze vertelt hoezeer ze is beïnvloed door haar vader – de prominente wiskundige Jacob Bronowski, die net als zij wetenschap op hoog niveau combineerde met wetenschap voor een groot publiek.

We voeren het gesprek in het Engels, want hoewel Jardine Nederlands verstaat en leest – „vooral het zeventiende eeuwse” – beweert ze het maar bescheiden te spreken. „Ik krijg in Nederland nooit de kans, omdat jullie direct naar Engels overschakelen”, lacht Jardine in haar modern verbouwde appartement in het Londense Bloomsbury – een wijk met het British Museum om de hoek en veel boekwinkels.

U bent hoogleraar, radiocolumnist, voorzitter van de Autoriteit voor vruchtbaarheid en embryologie. Hoe combineert u dat?

„Mijn drie kinderen zijn het huis uit, dus ik heb veel tijd. Toen ik borstkanker kreeg, enkele jaren geleden, heb ik tegen mijn familie gezegd: als ik genees, doe ik alleen nog de dingen die ik echt heel leuk vind. Dat heb ik ongeveer zes maanden volgehouden. Mijn werk is onweerstaanbaar.”

Waarom heeft uw lezing de titel ‘The afterlife of homo ludens, from Huizinga to Zemon Davis and beyond?’

„Huizinga is onderdeel van mijn ontwikkeling. Wij lazen Herfsttij der Middeleeuwen en Homo ludens als student. Ik heb ze nu herlezen en las veel secundaire literatuur over hem uit Nederland, van de jaren veertig, vijftig en zestig. En ik realiseerde me dat Nederlanders het altijd een beetje moeilijk hebben gehad met Huizinga. Ze vonden zijn onderwerpen en zijn aanpak te conservatief, te nostalgisch, terwijl hij juist zijn tijd vooruit was. Zijn werk werd verward met de politieke situatie. Ze verweten Huizinga dat hij, hoewel hij was geïnterneerd, niet in verzet kwam tegen de bezetting. Maar hij was in de zeventig, wat wil je!

„Mijn hele lezing is een pleidooi voor herwaardering van het internationale belang van Huizinga. Herfsttij en Homo ludens hebben grote invloed gehad op de cultuurgeschiedenis en literatuurstudie.”

Huizinga wordt in Nederland toch gerespecteerd?

„Gerespecteerd, ja. Maar hij is niet erg invloedrijk op het Nederlandse intellectuele toneel. In Engelssprekend Europa hadden we geen probleem met hem. Vanaf eind jaren vijftig werd hij omarmd door belangrijke cultuurhistorici. Je kunt een directe lijn ontdekken van Homo ludens naar historici als Natalie Zemon Davis.”

De Amerikaanse historicus Natalie Zemon Davis werd bekend met haar in 1983 verschenen The return of Martin Guerre, een studie naar een zestiende-eeuwse Franse bedrieger die een boerenvrouw wijsmaakt dat hij haar verloren echtgenoot is. Een jaar eerder verscheen een film over dit onderwerp, waarvoor Zemon Davis adviseur was. Tijdens het gesprek komt Jardine een paar keer terug op Zemon Davis, die ze haar mentor noemt.

Waarom bewondert u Natalie Zemon Davis zo?

„Oooh, ze is geweldig. Was ik haar maar. Ik wou dat ik The return of Martin Guerre had geschreven. Ik zou net als zij een film met Gérard Dépardieu hebben willen maken. Ze is een formidabel en gevreesd historicus én ze is geïnteresseerd in zaken waarin vrouwen geïnteresseerd zijn – ze is geen man geworden. En dan doet ze, terwijl ze in de tachtig is, nog iedere ochtend aerobics.’’

U noemde haar pionierswerk over de rol van vrouwen in de geschiedenis baanbrekend.

„Destijds, in de jaren tachtig, was feminisme nodig in de geschiedschrijving. Inmiddels is het voldoende als je de vrouwen niet buiten je verhaal laat en voorbeelden geeft van wat ze deden. Zo schrijf ik over Susanna van Baerle, de vrouw van Constantijn Huygens en in Martin Guerre beschrijft Zemon Davis hoe Guerres echtgenote Bernadette zich voelde.”

In 2008 publiceerde Jardine een boek dat haar ook in Nederland bij een groter publiek bekend maakte: Going Dutch. How England Plundered Holland’s Glory, dat nog hetzelfde jaar in het Nederlands verscheen onder de titel Gedeelde weelde. Hierin betoogt ze dat cultuur en geld uit Nederland de grondslag legden voor de wereldmacht van Engeland. Met liefde beschrijft Jardine de culturele banden tussen de twee landen in de zeventiende eeuw en de relaties tussen het Engelse koningshuis en de Nederlandse stadhouders, met name Willem III, die in 1688 Engeland binnenviel en er het jaar erop koning werd. Die beschrijving van een invasie en van de overname van de kroon door een vreemde mogendheid, gaat in tegen de in Groot-Brittannië gangbare opvatting dat Engeland sinds 1066 niet is binnengevallen. Met haar boek wil ze de zaken rechtzetten voor Nederlanders die altijd het gevoel hadden dat hun macht en welvaart hen aan het begin van de achttiende eeuw ontglipten, terwijl die van Engeland groeiden.

Waar komt uw belangstelling voor Nederland vandaan?

„Mijn echtgenoot, die in Duitsland opgroeide en als kind ieder weekend naar Nederland ging, nam me mee, zo’n 25 jaar geleden. Hij wilde me laten zien wat een fijne tijd hij er had gehad.”

In ‘Going Dutch’ noemt u de Nederlanders een van de meeste genereuze en tolerante volkeren die u ooit ontmoette. Vindt u dat nu nog?

„De spanningen nu in Nederland rond moslims zijn een direct gevolg van de grote openheid die er altijd was. Groot-Brittannië is gewend aan intolerantie – tegenover joden, tegenover Ieren, en nu moslims. Maar Nederlanders, die tolerant waren sinds 1600, zijn geschokt door zichzelf. En doordat jullie zo van slag zijn, moedigen jullie slecht gedrag min of meer aan. Het is als met een kind dat met een piercing thuiskomt en de ouders roepen ‘oh, binnenkort is-ie drugsverslaafd’. Ja, dan gebeurt het ook. Wat de uitkomst zal zijn weet ik niet, maar ik vind Nederlanders nog altijd de meest tolerante en hartelijke mensen die ik ken.’’

‘Going Dutch’ weerlegt de interpretatie dat er in 1688 een ‘Glorious Revolution’ plaatshad. Het was een regelrechte invasie, schrijft u. Hoe was de reactie in Groot-Brittannië?

„Verrast. Maar Britten zijn ook wel zo vol politiek en cultureel zelfvertrouwen dat ze bereid waren te accepteren dat het een invasie was en dat er echte soldaten in de straten waren. Er was wel eens een oude heer die tijdens een lezing opstond en zei: ‘Dat is onmogelijk!’ Maar de meesten tolereerden het, hoewel niet enthousiast.”

En in Nederland?

„Ze vonden het geweldig. Omdat mijn verhaal Nederland belangrijk maakt, voor het begin van de imperialistische wereld en voor de cultuur in Noord-Europa sinds eind zeventiende eeuw. Maar ook omdat ik de Nederlandse geschiedenis onder de aandacht van een internationaal publiek bracht.’’

In het spoor van Willem III kwamen veel kunstenaars naar Engeland. Hoe groot is de culturele invloed van Nederland op Engeland?

„Als je het hebt over cultuur, dus kunst, muziek, landschapsarchitectuur, stoffen, kleding – alles waarvan wij denken dat het Noord-Europees is – dat is allemaal van Nederlandse oorsprong. En dat waren we vergeten. Ook het belastingsysteem, dat Nederland had ingevoerd omdat het zo belangrijk was om genoeg geld te hebben om de dijken te onderhouden, nam Willem III mee naar Engeland. Er waren huwelijken tussen Engelse aristocraten en Nederlandse burgers. Een filosoof als John Locke verbleef in Nederland. Engeland is doortrokken van Nederland en omgekeerd. Bedenk wel, het Kanaal was minder een grens dan nu, omdat reizen over zee makkelijker was dan over land.”

Er is kritiek dat u te veel nadruk legt op de elite.

„Je kunt nu eenmaal niet alles behandelen. Ik ben vooral geïnteresseerd in de shopping-elementen, zoals het kopen van kunst. En dan kom je uit bij mensen met geld. Bovendien hebben Nederlanders hun elite verwaarloosd, want ze schamen zich ervoor. Alsof jullie allemaal klompen droegen, kaas aten en dijken bouwden!”

Britse historici als u en Simon Schama met zijn ‘Overvloed en Onbehagen’ vertellen het algemene verhaal over de Gouden Eeuw. Zijn Nederlandse historici te veel bezig met de details?

„Jullie hebben inderdaad een traditie van details, terwijl Simon en ik verhalenvertellers zijn. En Nederland heeft geweldige verhalen. Dat we beiden joods zijn, is niet irrelevant. We houden ervan buitenstaander te zijn. We voelen ons antropoloog en zijn kameleon, waar we ook zijn.”

U schrikt niet terug voor grote lijnen. De angst die de moord op Willem de Zwijger in 1584 opriep, vergelijkt u met de angst voor Al-Qaeda terreur. Gaat dat niet te ver?

„Het belang van geschiedenis is dat je patronen uit het verleden gebruikt om het heden te begrijpen. Dat zei Huizinga ook. Het helpt mensen als je verbanden legt. Het is toch verbazingwekkend dat Willem de Zwijger de eerste is die werd vermoord met een pistool. Ik schreef het boek toen de film Kill Bill uitkwam [van Quentin Tarantino in 2003, red.] Voorin mijn boek had ik de filmsong willen opnemen, Bang Bang van Sonny Bono – toepasselijk, vind je niet? Maar dat was helaas te duur.

„Je moet natuurlijk niet oppervlakkig zijn. Maar als een verband leeft voor jou, dan werkt het ook voor anderen. Als je jezelf in een onderwerp onderdompelt, kun je de verbindingen die je legt vertrouwen.”

Is het gevaar niet dat de werkelijkheid je inhaalt? U schreef in ‘Going Dutch’ dat je de Engels-Nederlandse samenwerking terugziet bij het Brits-Nederlandse staalbedrijf Corus. Dat is nu Indiaas.

„Er moeten altijd een paar missers tussen zitten. Je moet risico’s nemen. Nederlandse historici nemen nooit risico’s. En je moet bereid zijn te erkennen dat je een fout hebt gemaakt. Mijn stoffige collega’s worden woedend als ik zeg dat ik een fout maak of van mening ben veranderd. Ze denken dat dat onmogelijk is.”

Behalve historicus bent u voorzitter van de Autoriteit voor vruchtbaarheid en embryologie. Voor ons is dat –

„Krankzinnig!”

Nou, ongebruikelijk.

„De wet bepaalt dat deze post moet worden bekleed door een leek, niet door een expert die voor zijn eigen discipline opkomt. Ik kan in deze functie mijn ervaring inzetten om een verschil te maken voor gewone mensen. De organisatie reguleert alle kunstmatige voortplanting en stamcelonderzoek in Groot-Brittannië. En het werkt, het publiek vertrouwt ons. Daarom is er relatief weinig verzet.”

Wat vindt de universiteit van al uw activiteiten?

„Ze zijn er blij mee. Dat was vroeger wel anders, toen werd niet-academisch werk gezien als ordinair. Mijn vader werd er op aangesproken, het was de reden dat hij naar de Verenigde Staten is vertrokken. Nu word ik ervoor geprezen.’’