Het is geen Grunberg, maar een Kolk

Arnon Grunberg en Hanco Kolk: Van Istanbul naar Bagdad. Podium, 126 blz. € 20,- ****

Niet ieder schrijversleven leent zich voor een vermakelijk stripverhaal. Stel je de stripversie van Het Bureau van J.J. Voskuil voor. Veel dialogen, veel contemplatie van de hoofdpersoon, een beperkt aantal – bovendien nogal saaie – locaties. Geen pretje.

Hanco Kolk – maker van de gagstrip S1ngle en de langere verhalen rond het mediterrane vorstendom Meccano – maakte een strip van 102 pagina’s over een iets avontuurlijker schrijver: Arnon Grunberg. Van Istanbul naar Bagdad gaat over de reis die Grunberg dit jaar per auto en trein maakte met zijn tolk Gül, zijn chauffeur Ümit en de kunstenares Eva.

Kolk maakte al eerder ‘Paranoia in Bagdad’, dat hij baseerde op een stuk van Grunberg uit NRC Handelsblad. In die strip van vijftien pagina’s die opnieuw afgedrukt staat in Van Istanbul naar Bagdad, ontmoet Grunberg in Bagdad onder meer een journalist van The Guardian die alleen over naakt dansende vrouwen wil praten.

Het nieuwe, grote verhaal van Kolk is niet gebaseerd op één verhaal, maar op ‘reportages uit NRC Handelsblad, ongepubliceerd materiaal, brieven én oudere Irak-reportages’. Grunberg is dus niet verantwoordelijk voor het scenario: hij heeft zijn identiteit uitgeleend aan Kolk, die er een biografisch-documentaire strip van maakte.

Kolk is er redelijk in geslaagd om samenhang aan te brengen in de verzameling ervaringen die Grunberg tijdens deze reis opdeed, en waarvan hij trouwens ook kond deed op zijn blog. Grunbergs zieke moeder en de steeds terugkerende telefoongesprekken met haar zorgen voor die samenhang. Voorbij de helft van het verhaal kan Kolk volstaan met één krachtig beeld waarop te zien is hoe Grunberg – consequent zeer goed getekend – een telefoon vasthoudt en zegt: ‘Hallo mama’.

Ook slaagt Kolk erin om de tolk tot leven te wekken. Haar lichaamshoudingen, hoe ze haar maaltijden eet; samen met gesprekken die stripfiguur Grunberg met haar voert draagt het bij aan een rijk beeld van Gül.

Meer dan bij de eerste, daarvoor te korte, strip slaagt Kolk er ook in om een goed ritme in het verhaal aan te brengen. Dialogen wisselen af met pagina’s die uit enkel beelden bestaan.

Ook experimenteert Kolk met de tekstballonnen: die hebben niet van die uitstulpingen, bedoeld om te zien wie er op het plaatje aan het woord is. Kolk lost dat elegant op, bijvoorbeeld door de tekstballonnen strategisch te plaatsen in het beeld.

Het gevaar bij Van Istanbul naar Bagdad is dat je het gaat lezen als ware het ‘een Grunberg’, om vervolgens teleurgesteld te raken. Dat is jammer, en een beetje de schuld van de wijze van presentatie.

Op het omslag staat in indrukwekkend korps: ‘Arnon Grunberg in het Midden-Oosten: de graphic novel!’ Die uitspraak is misleidend. Het is een (strip)verhaal van Kolk: een totaal andere, maar niettemin vaardige verteller. Grunberg is slechts een personage.

Ward Wijndelts

    • Ward Wijndelts