Het antifascisme als dwaalleer

‘Wie Wilders een fascist noemt, bestrijdt hem, al dan niet met succes, maar draagt niets bij aan de kennis van het verschijnsel.’ Aldus Arnold Heumakers in zijn bespreking van drie boeken over de klassieke links-rechtstegenstelling.

Rob Riemen: De eeuwige terugkeer van het fascisme. Atlas, 62 blz. € 9,95

Rob Hartmans: Lang leve de Linkse Kerk en andere essays over politieke hersenschimmen, misverstanden en illusies. Aspekt, 209 blz. € 18,95

Frits Bienfait: Is links beter dan rechts? IJzer. 126 blz. € 15,-

‘Achteruit gaan we de toekomst in’, schreef de Franse dichter Paul Valéry en hij bedoelde het niet als een aanbeveling. Doordat we vastzitten aan het verleden, missen we dat wat er nieuw is aan de historische verandering. Juist in de moderne wereld, die ons voortdurend verrast met onvoorziene wendingen, is dat een groot nadeel. Aan Rob Riemen, directeur van het Nexus-instituut, blijkt het allemaal niet te zijn besteed. In zijn pamflet De eeuwige terugkeer van het fascisme moet een beladen begrip uit het verleden het heden verhelderen: Geert Wilders en diens PVV zijn volgens hem ‘het prototype van hedendaags fascisme’.

Het is een weinig originele stelling en om haar ook maar enigszins aannemelijk te maken moet Riemen teruggaan naar het fascisme van de jaren twintig en de vroege jaren dertig, dus vóór wereldoorlog en Auschwitz. Alleen met dat fascisme zou Wilders te vergelijken zijn. Maar kun je Hitler loskoppelen van wereldoorlog en Auschwitz? Dat kan alleen als je hem, zoals Riemen doet, alle idealisme ontzegt. Fascisme zou niets anders zijn dan de ‘politisering van de rancune van de massamens’ en het zou fascisten (‘volksmenners zonder enig idee’) uitsluitend om de macht gaan.

Riemen praat Menno ter Braak na (Het nationaal-socialisme als rancuneleer), die zich op zijn beurt beriep op Die Revolution des Nihilismus van Hermann Rauschning. Beiden schreven vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en vóór Auschwitz. Sindsdien is het niet meer mogelijk om het nationaal-socialisme als enkel gemobiliseerde rancune en blinde machtswil te interpreteren.

Hoe vervelend het misschien ook is, juist met zijn grootste misdaden bewees Hitler (zoals men trouwens al in Mein Kampf had kunnen lezen) dat hij werd gedreven door een fanatiek idealisme dat heel specifieke politieke doelen najoeg, zoals Lebensraum, een raciaal homogene volksgemeenschap en de redding van de Europese cultuur op ‘Arische’ grondslag.

Als we naar Italië kijken, lijkt Riemen iets minder ongelijk te krijgen. Toch zijn er ook daar serieuze restricties. Want Mussolini’s cultus van de staat, zijn imperiale dromen en zijn plannen voor een fascistische ‘nieuwe mens’ kunnen evenmin worden herleid tot louter rancune en machtswil.

Bij Geert Wilders vinden we niets van dit al. Fascisme en nationaal-socialisme, evengoed als het communisme, zijn mogelijkheden van de westerse moderniteit die hun kansen hebben verspeeld. De democratie die zij hadden willen vernietigen, heeft het pleit gewonnen. Maar die democratie is wel een massademocratie geworden, dat wil zeggen: de ingebouwde rem op het dictaat van de volkswil, bestaande uit het parlementaire systeem en zijn representatieve principe, komt steeds meer onder druk te staan.

Een ander woord voor die druk is: populisme. In al zijn vaagheid dekt het de lading van Wilders cum suis veel beter dan het woord fascisme. Wie Wilders een fascist noemt, bestrijdt hem, al dan niet met succes, maar draagt niets bij aan de kennis van het verschijnsel; hij blijft de gevangene van het – in Riemens geval ook nog eens slecht begrepen – verleden.

Beschaving

Bij Riemen geldt dat laatste in meer opzichten. In zijn analyse van de oorzaken van het ‘fascisme’ herhaalt hij de cultuurkritiek (Benda, Ortega y Gasset en vele anderen) uit het Interbellum, alsof de tijd heeft stilgestaan. Hoogstens stelt hij de zaken nog iets simpeler voor. Het fascisme is volgens hem een gevolg van de ‘crisis’ van de beschaving die zou zijn veroorzaakt doordat de westerse intellectuelen het absolute karakter van waarden en waarheid zijn gaan relativeren. Dat maakt het in elk geval niet moeilijk om de remedie te vinden: we moeten gewoon weer in die absolute waarden en waarheid geloven.

Nergens vraagt Riemen zich in ernst af waarom dat geloof is verdwenen – hij ziet enkel lafhartig ‘verraad’. Vreemd, iemand presenteert zich uitdrukkelijk als een man van de ‘geest’ en tegelijkertijd is hij blind voor vrijwel alles wat die geest de afgelopen eeuwen heeft voortgebracht. Zou Riemen wel eens één bladzijde Spinoza, Hume, Kant, Nietzsche of Ter Braak (die allergisch was voor reactionaire ‘schoolmeesters’) werkelijk tot zich hebben laten doordringen? Als een orthodoxe gelovige klampt hij zich vast aan zijn zekerheden en doet in geestelijke eenvoud niet onder voor de populist tegen wie hij zich keert.

Een echte intellectueel is zo’n houding onwaardig, maak ik op uit Rob Hartmans’ essaybundel Leve de Linkse Kerk. Een intellectueel is iemand ‘die vervelende vragen stelt, die zich niet beperkt tot het citeren van grote denkers maar het vanzelfsprekende ter discussie stelt, en die kanttekeningen plaatst bij intellectuele modes en ideologische bevlogenheid’. Hartmans blijkt in zijn alleszins redelijke essays zelf wél zo’n intellectueel te zijn.

Des te opmerkelijker is zijn appreciatie voor Riemens vorige boek, Adel van de geest, in mijn ogen vooral een verzameling hoogdravende gemeenplaatsen. Het komt erop neer dat Hartmans vindt dat je niet altijd alles moet relativeren, zeker niet wanneer de ‘barbaren’ in ons midden zijn. Zelf neemt hij een voorbeeld aan Ter Braak die na 1933 ophield de democratie te kritiseren. Maar het welhaast postmoderne ‘opportunisme’ dat Ter Braak bepleitte staat echt mijlenver af van de wierooklucht die opstijgt uit het proza van Riemen. Hartmans moet zich door Riemens apocalyptische clichés het hoofd niet op hol laten brengen. Zijn eigen verkenning van de politieke doolhof van links en rechts, die bij zowel fascisme als populisme zo’n grote rol speelt maar die de in wezen ‘unpolitische’ Riemen negeert, is veel interessanter dan diens vrome praatjes.

Mammoetwet

Hartmans’ titel moeten we ten dele ironisch opvatten, want lang niet alles van links krijgt zijn instemming. Aan de andere kant mag lang niet alles waarvan links wordt beschuldigd exclusief aan links worden toegeschreven. Vaak zat de PvdA niet eens in de regering die de beslissingen nam (denk aan de Mammoetwet, het begin van de neergang van ons onderwijs) waarvoor de socialisten nu ter verantwoording worden geroepen.

Ten minste zo belangrijk was de tijdgeest (destijds een algemene ‘linkse consensus’), en die drukte zijn stempel op links en op rechts – precies zoals dat nu het geval is, ook al neigt de consensus nu eerder naar rechts. Dat lijkt het belang van beide begrippen te relativeren, maar het is de vraag of we er ooit vanaf komen. Ook al betekenen links en rechts ogenschijnlijk niets meer, telkens duiken ze weer op en slagen erin een nieuwe actualiteit te vinden. Het gaat dan ook om een heel oud en algemeen menselijk onderscheid, waarvan de politieke tegenstelling (ontstaan tijdens de Franse Revolutie) niet meer is dan een moderne verschijningsvorm.

Ziedaar de stelling van Frits Bienfait in zijn lezenswaardige boekje Is links beter dan rechts? Gevoelsmatig weet iedereen of hij links is of rechts, maar hoe weten we dat precies? Bienfait probeert deze vraag te beantwoorden door te laten zien dat het dualisme van links en rechts ons primaire schema is om de chaotische werkelijkheid te ordenen, een schema dat door taal en traditie en door het gezin met vader aan het hoofd wordt doorgegeven. Van oudsher was rechts in het voordeel, geassocieerd als het werd met onder meer het mannelijke en met rechtshandigheid. Rechts was zoals de dingen waren en ook behoorden te zijn. Links werd pas aantrekkelijk als de status quo niet meer beviel en men het tijd vond worden voor verandering.

Maar als links voor veranderingsgezindheid staat en rechts voor aanpassing aan het bestaande hoe rechts is Wilders dan met zijn permanente onvrede? En kun je iemand als Riemen, gezien zijn geloof in absolute en dus onveranderlijke waarden, wel links noemen, als hij daar tenminste prijs op stelt? Hoe lastig het is dit soort vragen te beantwoorden, demonstreert Rob Hartmans, die zichzelf omschrijft als een ‘conservatief-liberale socialist’. Een wonderlijke mix van links en rechts, die moeilijk alleen op gevoel kan berusten. Daar moet zorgvuldig over na zijn gedacht, wat ook wel zo verstandig is wanneer we ons niet blindelings op het verleden willen verlaten.