Help jij me dan zeggen wie ik ben

Het werk van Hans Faverey bleef lang onbegrepen. Toen hij meer anekdotisch ging dichten, werd hij een klassiek auteur. Zijn ‘nieuwe’ poëzie onthult hoe eindeloos hij eraan sleutelde, schrijft Yra van Dijk.

Hans Faverey: Gedichten 1962-1990. Bezorgd door Marita Mathijsen. De Bezige Bij, 1006 blz. € 49,90

‘Ik kan het nu beter dan vroeger’, zei Hans Faverey in 1988 in een interview. Zo verklaarde hij dat lezers alsmaar meer waardering hadden gekregen voor zijn gedichten: ‘sommigen mensen raken er zelfs door ontroerd’, zei hij verbaasd.

Die ontroering van Faverey’s lezers nam nog toe toen in 1990 de bundel Het ontbrokene verscheen, vlak voor de dood van de dichter. Het klassiek geworden slotgedicht begint met de regels: ‘Zonder begeerte, zonder hoop / op beloning, ook niet uit angst voor straf, / de roekeloze, de meedogenloze schoonheid // te fixeren waarin leegte zich meedeelt, / zich uitspreekt in het bestaande [...]’. De worsteling met de tijd en de taal, die er in het hele oeuvre was geweest, kreeg in deze laatste bundel een urgentie die voor velen verstaanbaar was.

Faverey’s carrière als dichter was klassiek begonnen, met miskenning en afwijzing. ‘Het kan aan ons liggen, maar dit sprak ons nauwelijks aan’, aldus de Maatstaf -redactie in 1965. Nu, twintig jaar na het overlijden van Hans Faverey, ligt er niet alleen een staalblauwe, gebonden editie van zijn volledig werk, maar verschijnt er in Nederland bovendien weinig poëzie van jonge dichters die niet aantoonbaar door Faverey is beïnvloed of zich juist tegen hem verzet. Helemaal dood is de dichter dus niet.

Dat gevoel wordt nog versterkt nu er in Gedichten 1962-1990 een overrompelende vondst is opgenomen: tweehonderd ‘nieuwe’ gedichten van Faverey (1933-1990) zelf. Marita Mathijsen, die het volledig werk bezorgde, trof in de nalatenschap vele nooit uitgegeven gedichten aan. Onder meer een complete bundel die in de jaren zestig werd afgewezen door uitgeverij Querido.

Je voelt je een gluurder als je dit deel van het werk opslaat – alsof je zelf degene bent die door de bureauladen van de dichter spit. Maar wat een heerlijke vondsten doe je daar. Neem het titelloze gedicht over de ‘languissante theeroos’ , hier naast afgedrukt. Of de reeks ‘ik (nu)’, uit de jaren zeventig. Acht gedichten die samen een verkenning vormen van wat het betekent ‘ik’ te zeggen, ‘jij’ genoemd te worden, gezien te worden en daardoor te bestaan:

Net als ik zeg: er is niets meer,

Ik ben niets meer, hoor ik wat.

En het begint weer helemaal

opnieuw:

daar heb je mij weer.

Als ik het zelf niet was,

help jij me dan zeggen

wie ik ben.

Het is helemaal Faverey, de mooie, wankele identiteit van de spreker en het spel met een uitdrukking als ‘daar heb je hem weer’. Toch is het ook niet helemaal Faverey: de laatste regels zijn te gladjes, te tegelspreukerig. Zo is er meer in de tweehonderd oude, nieuwe gedichten waarvan je je afvraagt of de dichter het in deze vorm zou hebben laten staan – er ontbreekt dan een spanning die de andere gedichten wel hebben.

Soms zie je dat er met hetzelfde materiaal later een beter gedicht is gemaakt dat de dichter wél uitgaf. Faverey sleutelde eindeloos aan gedichten om ze voor ‘slijtage’ te behoeden, en hij liet ze lang liggen om na te gaan of er geen ‘rotte plekken’ in kwamen. Hoe dat slijpen in zijn werk ging, is te zien aan typoscripten achter in Gedichten 1962-1990. Zo is er een blaadje waarop Faverey hetzelfde gedichtje vier keer overtypte. Er verandert niets aan de tekst, maar wel staan de witregels steeds op een andere plek, zodat het ritme verandert. Zo zie je hoe belangrijk de verdeling van de zinnen op het blad was.

De vraag is wel hoe je uit een dergelijk typoscript kunt opmaken wat nu de definitieve versie van het gedicht is, en of het überhaupt wel als voltooid beschouwd mag worden. Daar heeft de editiewetenschap allerlei regels voor, maar uit het nawoord van Marita Mathijsen blijkt dat je voor het schiften van drieduizend documenten uit de nalatenschap ook veel educated guesses nodig hebt – en lef. Zo pikte Faverey vaak zijn eigen regels en gebruikte ze opnieuw in een ander gedicht. Wanneer is een gedicht dan zodanig geplunderd dat het al is ‘verbruikt’, zoals hij dat zelf wel eens noteerde in de kantlijn, en dat het ook niet meer kan gelden als zelfstandig gedicht? Of neem Mathijsens criterium dat een gedicht werd opgenomen als het ‘bedoeld was voor publicatie’: je kunt tegenwerpen dat de dichter het in dat geval bij leven wel alsnog gepubliceerd zou hebben toen zijn naam eenmaal was gevestigd, eind jaren zeventig.

Die canonisering van Faverey was begonnen toen sommige critici, en hijzelf in interviews, het werk gingen uitleggen. Vooral zijn uitspraak dat het gaat om een ‘proces van ontstaan en verdwijnen’ is alom overgenomen. Wat ook hielp, was de ontdekking dat je erom kon lachen, zoals om de absurde reeks waarin een man een dolfijn aanspoort om ‘bal’ te zeggen. Als Faverey zelf dit voordroeg op droge toon kon hij rekenen op een bulderend publiek. In het nagelaten werk staat ook een geestige reeks gedichten die bestaan uit steeds dezelfde, licht absurde regels – alleen de volgorde verschilt –, tot de laatste uiteindelijk besluit met: ‘(Da capo tot je er niet meer bent)’.

Toen Faverey’s poëzie in de loop der tijd persoonlijker en minder experimenteel werd, bleef de inzet gelijk. In Gedichten 1962-1990 wordt eens te meer duidelijk hoe constant de dichter hetzelfde bleef proberen: ‘De roekeloze, de meedogenloze schoonheid te fixeren’. Dingen komen in zijn poëzie tevoorschijn uit het niets, worden even aan het verval onttrokken, waarna de tijd doorloopt en de vernietiging inzet. Maar voor een moment zijn de dingen liefdevol tussen twee witregels vastgezet, hebben ze een toevlucht gevonden in het gedicht.

Faverey vergeleek zijn poëziebundels met ‘herbergen’. Dat mislukte natuurlijk voortdurend, omdat de tijd doorloopt, en omdat woorden de dingen op hun beurt geweld aandoen. Uiteindelijk is de boel ‘uitgewoond, / zoals alleen een woord kan zijn/ dat door zijn dingen is gezakt: / om hun horizon nog nagrinnikend’, zoals er staat in het nagelaten werk. Door die vernietiging die aan het einde van het gedicht op de loer ligt, hebben de gedichten van Faverey vaak iets onheilspellends: ‘Laat de god die zich in mij verborgen houdt/ mij willen aanhoren, mij laten uitspreken / voor hij mij met stomheid slaat / waar jij bij staat, waar ik bij sta’ – zo eindigt dat laatste gedicht in Het ontbrokene.

Als je Faverey’s werk leest als een verzet tegen de tijd, blijkt dat het ritme van zijn gedichten de inhoud van de woorden versterkt. Door herhalingen en variaties imiteren ze de cycli van leven en dood. Zo kan het dat de talige dichter uit de jaren zestig, met wie critici en tijdschriftredacties moeite hadden, aan het eind van zijn leven werd gezien als een ‘existentiële dichter’.

Veel van het werk uit dat laatste deel stamt uit de vroege periode, van vóór 1977: blijkbaar verwierp de dichter later minder toen hij het idee kreeg dat hij het ‘beter kon’. Je bladert bij het lezen dan ook steeds terug naar de allereerste bundels van Faverey waar ze sterk aan doen denken, en soms regels of strofes mee gemeen hebben. Het verschil is dat de nagelaten gedichten soms langer en wat explicieter zijn.Faverey heeft hier minder weggeschaafd aan anekdotiek en autobiografische feiten. Drie gedichten voor een vriend die zelfmoord pleegde zijn wat dat betreft onthullend. Ze geven een kijkje in de keuken van de dichter, totdat op een dag ook de onvoltooide gedichten worden uitgegeven. Dan zullen we helemaal zien hoe de dichter knipte, plakte en schrapte in zijn eigen werk, tot de regels precies die spanning en dat ritme hadden die zijn gedichten kenmerken. Tot die tijd besluit het oeuvre voorlopig met een nieuw ‘laatste’ gedicht, dat het in zich heeft om net zo klassiek te worden als wat voorheen het laatste gedicht was: ‘Zodra ik van mij houd/ kan ik van een ander houden. / Door van een ander te houden // is de afgrond in niets veranderd. // De dood bestaat niet: zelf ben ik het / die haar aanraak’

Er staat geen punt achter. De dood bestaat namelijk niet voor een dichter met een oeuvre als dit.

    • Yra van Dijk