Gaan kunstmusea te ver door de knieën voor het grote publiek?

‘Het is net een Idols-verkiezing”, zei Ralph Keuning, directeur van Museum de Fundatie afgelopen week in deze krant over de Museumprijs. En dat bedoelde hij zeker niet negatief. Al weken was Keuning bezig fanatiek campagne te voeren voor zijn museum, dat samen met Museum Boijmans Van Beuningen en het Stedelijk Museum in Schiedam in de race was voor de hoofdprijs van 100.000 euro. Het publiek mocht de uiteindelijke winnaar aanwijzen, en dus was het zaak om zoveel mogelijk stemmen te werven – tot in het voetbalstadion van FC Zwolle aan toe.

Het museum dat de straat op gaat om zieltjes te winnen – twintig jaar geleden hadden we ons dat niet kunnen voorstellen. Toen waren musea autonome, hoogdrempelige tempels voor de kunsten, waar hoogstens wat beknopte informatie naast de schilderijen hing. Van interactieve touchscreens met uitleg of van museumnachten met dj’s en cocktails konden we toen alleen nog maar dromen.

Maar sinds de eeuwwisseling is publieksbereik veruit het grootste modewoord in de museale wereld. Steeds vaker zag je in de afgelopen jaren termen als cultureel ondernemerschap en publieksparticipatie opduiken in beleidsnotities. Het belangrijkste selectiecriterium voor de nominaties van de Museumprijs was niet voor niets ‘publieksgerichtheid’.

Maar gaan de Nederlandse musea zo langzamerhand niet te veel door de knieën voor het grote publiek? Moet er Sinterklaas gevierd worden of gekookt worden in het museum? Enigszins jaloers kijk ik soms naar het buitenland, waar musea er vaak wel in slagen om serieuze kunst voor een miljoenenpubliek te verklaren.

Want hoe komt het dat het in de Britse Tate Modern altijd zwart ziet van de mensen, ook wanneer ze daar ‘moeilijke’ conceptuele kunst van John Baldessari tonen, of het abstracte werk van Arshile Gorky? En waarom was er in het MoMA in New York een wachtlijst om mee te mogen doen aan de performance van de Japanse kunstenaar On Kawara, terwijl het Stedelijk Museum in Amsterdam er maar niet in slaagt genoeg vrijwilligers te krijgen voor precies hetzelfde kunstwerk? Ligt dat aan de onmacht van het museum, of aan de desinteresse van de Nederlandse cultuurconsument?

In het Cultureel Supplement van 3 december willen we aan de hand van een aantal opiniestukken een discussie starten over het publieksbereik van de Nederlandse musea. Vindt u als cultuurliefhebber dat u serieus genoeg wordt genomen door de musea? Of gaan de catalogusteksten van de dames en heren kunstkenners uw pet juist ver te boven? En hoe zou uw ideale tentoonstelling eruitzien? We horen het graag.

sandra smallenburg