Façade van rust

Strafrechters zijn niet te besturen en zitten elkaar en leidinggevenden dwars.

Dat komt volgens Otte doordat ze de regie over de rechtszaken kwijt zijn.

Nederland,Rotterdam, 18 januari 2010, Rechtbank extra-beveiligde, justitie Rotterdam zittingszaal lege zaal recht rechtzitting Openbaar Ministerie rechtsbestel rechterlijke macht zittingzaal gevangenisstraf veroordeling rechtspreken strafrecht staffen rechtsorde verdachte schuldig onschuldig Foto: Peter Hilz

Over de rechterlijke macht wordt wel vaker iets kritisch gezegd. Maar het boek De nieuwe kleren van de rechter dat raadsheer Rinus Otte van het hof Arnhem vandaag publiceert, is uniek in z’n openhartigheid en scherpte.

Strafrechters zitten elkaar en hun leidinggevenden ongeremd dwars, schrijft Otte. Werkhouding en omgangsvormen zijn een probleem, de rechters zijn niet te besturen, niet te controleren en hebben heel weinig zelfkritiek, zo blijkt uit het boek. Dat verschijnt gelijktijdig met de benoeming van Otte tot hoogleraar organisatie van de rechtspleging in Groningen – een leerstoel die wordt betaald door de rechterlijke macht zelf.

Wie is Otte en is het nieuw wat hij schrijft? Over dat laatste: de gerechten worden ook met enige regelmaat gecontroleerd door zogeheten visitatiecommissies uit Den Haag. Die rapporteren dan dat de besturen „weinig zicht hebben” op wat zich in de sectoren afspeelt. En dus niet weten hoe het daar staat met de „ontwikkeling van de kwaliteitsaspecten”. De „feedbackcultuur” staat overal wel op de agenda, maar is nog niet „uitontwikkeld”. „Dit geldt zeker voor de feedback op gedrag”, luidt dan het jargon.

Tsja, wat zou dat betekenen?

Rinus Otte (50) doet nu voor een fungerende raadsheer iets ongehoords. Hij vat vijftien jaar ervaring als rechter samen in een publieksboek, geschreven in heldere taal, zonder zich te bekommeren over de gevolgen. Hij vertelt wat de vage jargontermen betekenen.

Praktisch constateert hij dat de rechterlijke organisatie „de greep verliest” op de organisatie van het strafproces. Een te hoog percentage strafzittingen wordt uitgesteld. Productieafspraken worden niet gehaald. Het ambt van strafrechter is in verval, de organisatie stagneert.

Rechters zijn uiterst gereserveerd – publiciteit is identiek aan opspraak. Een rechter laat zich meestal maar één keer interviewen, en dan héél voorzichtig, vlak voor zijn pensioen. Otte breekt die barrière in één keer af. Vooral om zijn vakgenoten wakker te schudden, zegt hij.

Maar de burger leest ook mee. Die hoort hoe Otte als nieuweling in het gerechtsbestuur van het hof Arnhem kennismakingsgesprekken met honderddertig collega’s hield.

Otte was „verbijsterd” over de negativiteit en het „ongeluk” dat hij tegenkwam en teleurgesteld over het gebrek aan „nijver en nederigheid”. De strafrechters die hij moest leiden, bleken weinig leiding te verdragen. Zij wilden met rust gelaten worden, waren veeleisend en klaagden veel, vooral over de werklast. Maar ook over gebrekkige faciliteiten, gebrek aan contact met de leiding, het bevoordelen of promoveren van collega’s, of over rechters die nooit aangesteld hadden mogen worden.

Otte schrijft over strafrechters die de leiding overvragen, zich onbehoorlijk uitlaten, lui zijn of zich als slachtoffer gedragen. Hij baseert zich op ervaringen in meerdere gerechten tussen de rechters en hun besturen. Rechters vormen die besturen namelijk zelf met een paar man. Alleen de facilitair directeur is geen rechter.

Dat bestuur beheert personeel, budget en organisatie. Ze bemoeien zich absoluut niet met de inhoud van de uitspraken van hun rechtbank of hof. Daarin is de voor het leven aangestelde rechter volstrekt soeverein. Alleen andere rechters (in hoger beroep of cassatie) controleren hem of haar.

Wel maakt het bestuur productieafspraken met de Raad voor de Rechtspraak, het zelfstandig bestuursorgaan van de rechters in Den Haag. En daar wringt het. De gemiddelde strafrechter zou te veel ambtenaar zijn geworden, afhankelijk van de bureaucratie.

Ottes boek komt op een moment waarop het gezag en de persoon van de rechter ter discussie staan: PVV-leider Wilders laat geen gelegenheid onbenut om hen partijdigheid te verwijten. Strafrechters zouden bovendien te lage straffen opleggen. In het regeerakkoord zijn voor het eerste minimumstraffen vastgelegd. Ook de gerechtelijke dwalingen in de zaken rond Lucia de Berk en Ina Post hebben voor grote onrust gezorgd.

Nu schetst Otte, voor het eerst, de binnenkant van het gerecht. Rondom promoties kunnen de verhoudingen ernstig beschadigd raken. Hij spreekt van „bloedbaden”, „kolkende emoties” en interne afrekeningen in de vorm van e-mailcampagnes en anonieme brieven.

Rechters blijken ook intern grote invloed te hebben op de selectie en benoeming van leidinggevenden of sollicitanten. Benoemingen van buiten het eigen gerecht of eigen regio worden vaak geweerd. Daardoor is er geen kans op een „frisse wind”.

Zelf hield hij het drie jaar vol in het bestuur van het hof. In zijn boek beschrijft hij overigens ook welke fouten hij zelf maakte: hij hield onvoldoende rekening met de bedrijfscultuur en drukte te veel oplossingen van bovenaf door.

Volgens Otte moet de Raad voor de Rechtspraak scherper optreden tegen disfunctionerende rechters. Veel gerechtsbestuurders houden het volgens hem niet lang vol. Het is namelijk „niet eenvoudig om grote ego’s te managen”. Zeker niet als ze een zelfbeeld hebben dat niet strookt met de werkelijkheid. Hij meent dat veel rechters graag verantwoordelijkheid dragen, maar niet graag verantwoording afleggen.

Volgens hem hebben strafrechters moeite met kritiek op hun vaardigheden. Onderling is er weinig behoefte aan evaluatie; rechters houden elkaar professioneel eigenlijk niet in de gaten, meent Otte. Tegelijk hebben ze „een veel te scherpe mening over elkaars functioneren, die we overigens niet uitspreken tegen elkaar”.

En veel bestuurders hebben een „te buigzame ruggegraat”. Ze streven ten onrechte gelijkwaardigheid na en corrigeren collega’s bij wangedrag niet.

Voorts bleken verslagen van functioneringsgesprekken met rechters voor zijn gerechtsbestuur geheim te zijn. Alleen de direct leidinggevende, een sectie- of kamervoorzitter, mocht er kennis van nemen. Mede daardoor is het corrigeren of verwijderen van een disfunctionerende rechter vrijwel onmogelijk, concludeert Otte. Hij noemt de aanstelling voor het leven van rechters „geen kwaliteitskeurmerk”, maar een handicap. Hij bepleit disfunctionerende rechters eerder uit hun ambt te verwijderen.

De kern van het probleem is echter de „verambtelijking” van het werk van de rechters.

De gerechten zijn steeds groter geworden en het werk werd gestandaardiseerd. Strafrechters zijn daardoor hun centrale plek in de organisatie kwijt. Van middelpunt zijn ze schakel in een keten geworden.

Daardoor zijn ze zich ook afhankelijk gaan gedragen. Dat uit zich in het hoge percentage (20 tot 60) aanhoudingen van strafzittingen wegens juridische of organisatorische problemen. Tijdens zittingen gedragen strafrechters zich soms hautain of „niet luisterend”, begreep Otte van advocaten. Hij constateerde ook dat sommige gerechten „nogal wat trage rechters” bevatten, die te vaak uitstel verlenen en zich in details verliezen. En ze zouden bij het schrijven van het vonnis vaak „toereikend” motiveren verwarren met „uitputtend” motiveren.

Veel rechters koesteren een romantische hang naar vroeger, toen de jaarlijkse ‘rechtersvergadering’ nog het belangrijkste inspraakorgaan was. Dat is voorbij. Rechters hebben nu alleen inspraak als één van de geledingen binnen de ondernemingsraad. Misschien is dat dus de verklaring: strafrechters hebben te weinig greep op de organisatie van hun dagelijkse werk.

Het strafproces wordt voor hen georganiseerd, niet door hen.