Er bestaat hier geen atoombom

Zweden is een oorlogszuchtig land, Goethe is vergeten en Zeus wil de vrouw van de stervende Adam beminnen. In dit vreemde, zelfverzonnen universum roept John Banville vele vragen op.

Peter Paul Rubens (1577 Siegen – Antwerpen 1640) De Goden op Olympus Olieverf op doek, 204 x 370 cm Imperial Paintings from Prague - A Selection from the Castle Collection schilderkunst

John Banville: De onsterfelijken. Vertaald door Arie Storm. Meulenhoff, 271 blz., € 19,95

Op het eerste gezicht lijkt het een traditionele familieroman. De oude wetenschapper Adam Godley ligt op sterven in zijn landhuis, omringd door zijn familie. Zoon Adam junior is er speciaal voor overgekomen. Samen met zijn vrouw Helen, zijn zus Petra en zijn moeder Ursula wacht hij het moment af waarop zijn vader de laatste adem uitblaast. Uiteraard wordt er veel teruggedacht aan vroeger, en duikt er een aantal verwachte dan wel onverwachte gasten op.

Tot zover niets aan de hand. Maar De onsterfelijken, de nieuwe roman van John Banville, is een boek dat tijdens het lezen steeds merkwaardiger wordt. Allereerst is er de verteller. Dat is niemand minder dan Hermes, de zoon van Zeus. Halverwege het eerste hoofdstuk stelt hij zich uitgebreid aan ons voor, vol begrip voor het feit dat we hem niet meteen geloven. Maar hij is het wel degelijk.

En hij is niet de enige Griekse god die opduikt, ook zijn vader Zeus speelt een grote rol in het verhaal. De oppergod heeft zijn oog laten vallen op Helen, de mooie jonge vrouw van Adam junior. En zoals iedereen weet die bekend is met de Griekse mythologie, is Zeus niet van de platonische liefde. Toch is De onsterfelijken geen bizarre klucht. Integendeel, het is een ingetogen verhaal over een disfunctionele familie, doorspekt met mooie beelden en geschreven in het verzorgde proza dat het handelsmerk van Banville is geworden. Het verhaal speelt zich af op één dag. Zoiets geeft een roman dikwijls een meerwaarde, omdat in één zo’n dag zich hele werelden en complete levens weerspiegelen. Ook in De onsterfelijken is dat het geval.

Doordat verteller Hermes bij elk personage naar binnen kan kijken, wordt het verhaal vanuit diverse perspectieven verteld. Zo wordt naarmate de dag verstrijkt steeds duidelijker hoe de familieverhoudingen liggen. Maar tegelijkertijd wordt er nog iets duidelijk: de wereld waarin het verhaal zich afspeelt, is niet helemaal de onze. Dat zorgt voor toenemende vervreemding.

In de wereld waarin de oude Adam op zijn sterfbed ligt, is Zweden een oorlogszuchtig land en Goethe een vergeten dichter. De atoombom is nooit uitgevonden. En de geniale Adam heeft ooit de relativiteitstheorie ontmaskerd en ervoor gezorgd dat de kwantumtheorie werd vervangen door een theorie die wél werkte. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar Adam zou wel eens het wereldraadsel opgelost kunnen hebben.

Banville voert geen mulischiaans mythologisch spel op waarin alles klopt en samenkomt. Ook zijn die Griekse goden en het parallelle universum waarin het verhaal zich afspeelt, geen gimmicks, geen vondsten die nadrukkelijk worden geponeerd. Het zijn elementen die als vanzelfsprekendheden in de familiegeschiedenis worden verweven, en doen niets af aan de geloofwaardigheid van verhaal of personages.

Sterker nog, ze zorgen juist voor de vervreemding die hoort bij een patriarchaal sterfbed, het blijken uitstekende middelen om de intense én onwezenlijke bewustzijnstoestand op te roepen die bij zo’n ingrijpend gebeuren past. Zo weet Banville met zeer ongewone middelen een ‘gewoon’ gegeven extra geloofwaardigheid te geven. Het is net of hij in De onsterfelijken onderzoekt hoe ver hij hierin kan gaan.

Heel ver, zo blijkt. Banville is een meester die nergens de controle verliest. Griekse goden, andere werelden – veel schrijvers zouden met dit materiaal spartelend ten onder zijn gegaan, hun lezers meesleurend in hun val. Banville blijft glorieus overeind en trekt op een onwaarschijnlijk fundament schijnbaar moeiteloos een solide gebouw op waarin zijn lezers onder leiding van Hermes van ruimte naar ruimte zweven, aandachtig, verbaasd en ontroerd; zo nu en dan grinniken ze, maar zachtjes, om de betovering niet te verbreken.

Ze zien de oude Adam in zijn verduisterde kamer zijn leven overdenken, ze zien hoe zijn alcoholische vrouw Ursula haar ongeluk verdrinkt, ze zien de spanningen tussen Adam junior en zijn door Zeus begeerde echtgenote, ze zijn getuige van de zelfdestructieve neigingen van dochter Petra, en ook zien ze de god Pan in vermomming het huis binnendringen. En tijdens deze rondleiding levert Hermes zijn commentaar op het menselijk bedrijf, dat de goden zowel meewarig als afgunstig bekijken.

Dat het vreemde universum waarin Banville zijn verhaal plaatst nergens ongeloofwaardig wordt, komt ook doordat de suggestie wordt gewekt dat verteller Hermes en de stervende oude Adam een en dezelfde persoon zijn. Soms gaat de innerlijke monoloog van de een naadloos over in de hersenspinsels van de ander. Speelt het hele verhaal zich af in het verwarde hoofd van een stervende? Verbeeldt Adam zich dat hij Hermes is? En wie is deze Adam eigenlijk? Is hij, de oplosser van het wereldraadsel, de tegenhanger van de eerste mens, en is zijn dood het einde van een tijdperk?

Banville roept in deze roman nog veel meer vragen op en geeft geen enkel uitsluitsel. Dat is een aanbeveling. De onsterfelijken is een fascinerend boek, dat het verdient om langzaam te worden gelezen, met dezelfde aandacht en concentratie als waarmee het is geschreven.