Een vergeten wereldverbeteraar

Johan Thorn Prikker

T/m 13 februari 2011 in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Inl: www.boijmans.nl ****

Vraag een gemiddelde kunstgeschiedenisstudent naar Thorn Prikker en hij blijft het antwoord schuldig. Vraag een expert en hij denkt aan het Symbolisme. Maar wie wel eens in de burgerzaal van het Rotterdamse stadhuis is geweest, moet, bewust of onbewust, Prikkers grote, kubistische wandschilderingen over de geschiedenis van de stad gezien hebben. Ze dateren uit 1927, zitten vol woeste, hoekige lijnen en de hard werkende inwoners spelen er de hoofdrol. Boijmans-directeur Dirk Hannema beschouwde ze destijds als het begin van de moderne kunst. Maar al gauw verdwenen de door hem verzamelde ontwerpen van Prikker opgerold in het depot en de kunstenaar raakte vergeten. Het museum heeft nu een groot en verrassend overzicht ingericht.

De in Den Haag geboren Johan Thorn Prikker (1868-1932) was een kunstenaar die een ambachtsman wilde zijn. Daarin stond hij in zijn tijd niet alleen, denk aan de architect Berlage en de schilders/ontwerpers Antoon Derkinderen en R.N. Roland Holst. Ze waren, net als Thorn Prikker, voorstanders van het ‘Gesamtkunstwerk’; ze wilden samen werken aan monumenten waar het volk van kon houden en tegelijk ook door verbeterd werd.

Uit de tentoonstelling blijkt goed hoe veelzijdig Thorn Prikker was en ook hoe rusteloos. Telkens weer veranderde hij van stijl en materiaal: hij tekende, werkte met textiel, hout, glas-in-lood. Eerst maakte hij symbolistische madonna’s en Christusfiguren, tekeningen gedomineerd door zwierige lijnen, plat in het vlak terwijl de uitgebeelde stoffen tegelijk ingetogen en uitbundig gedecoreerd zijn. In Den Haag begon Thorn Prikker meubels te ontwerpen en ontdekte hij het batikken, een Indonesische techniek waarbij lijnen ontstaan doordat de stof bij het verven gedeeltelijk wordt afgedekt met vloeibare was. Toen hij kort na 1900 naar de Duitse textielstad Krefeld verhuisde, kon hij zich nog meer op textiel richten. Daarbij ging hij steeds uit van vormen die hij aan de natuur ontleende en die hij dan sterk abstraheerde.

Rond 1910 werd Prikker geïntroduceerd in de kring van de grote Duitse mecenas Karl Ernst Osthaus en verhuisde hij naar Hagen. Op de tentoonstelling wordt het resultaat van zijn nieuwe passie, het glas-in-lood, door middel van filmpjes en in een soort kapel geïllustreerd. De stevige lijnen en zware kleuren van de voorstellingen met woeste Christuskoppen zijn dwingend. Je kunt je voorstellen hoe zijn werk in Duitse kerken de toeschouwer kan overdonderen.

Maar waardoor werd deze veelzijdige, onrustige kunstenaar gedreven? Zelf stak hij nooit onder stoelen of banken dat hij anarchist was. Hij geloofde niet in hiërarchie. Voor hem stond het individu centraal. Zo gaf hij Christus bij voorbeeld op de eerste plaats weer als een mens in een veranderende maatschappij. Bij Prikker ging het er niet alleen om de arbeider te verbeteren, hij probeerde met zijn werk de hele maatschappij te veranderen en ontkende zelf elk verschil tussen de arbeiders en hun verbeteraars. Daarom paste hij niet in het Nederland van rond 1900 en vertrok hij naar het industriële Duitsland, waar men hem vooral als vakman ontving. Daar is hij niet vergeten.

Saskia de Bodt