Een proeve van het inferno

Het succesdebuut De eenzaamheid van de priemgetallen van de Italiaanse auteur Paolo Giordano is nu verfilmd. Regisseur Saverio Costano hield zich niet aan de letter van het boek. En dat is maar goed ook.

Twee kinderen. De jongen heet Mattia, het meisje Alice. Ze worden groot. Zielepoten zijn ze niet. Maar leven, dat is voortmodderen. Ze zijn de kern van het romandebuut van de Italiaan Paolo Giordano. De hoogbegaafde Mattia en de hooggevoelige Alice zijn een moderne versie van het ultieme romantische liefdespaar. Pyramus en Thisbe, Tristan en Isolde. De twee koningskinderen:

Sy hadden malkander soo lief

Sy konden by malkander niet komen

Het water was veel te diep.

Wie Giordano’s boek leest, volgt het tweetal koortsachtig, in de hoop dat ze dan tenminste bij elkaar kunnen schuilen. Maar nee. De schrijver velde hun vonnis al met de titel van zijn boek: De eenzaamheid van de priemgetallen. Priemgetallen staan alleen. Ze zijn slechts deelbaar door zichzelf en door één. Een ander kan er niet bij, zelfs de ander die ze er graag bij zouden hebben, en daar kunnen ze niets aan doen.

Het boek werd een bestseller, ook in Nederland. Het lijkt wel een film, zeiden veel lezers, en daar hadden ze gelijk in. Giordano schrijft alsof hij van dichtbij naar de gebeurtenissen staat te kijken, of hij zijn personages ruikt, streelt, of hij hen schaduwt als een machteloze engel.

Het wachten was op de verfilming. Die is er nu, en hij laat de filmische stijl van de roman voor wat hij is. Pagina na pagina pakte het boek de personages uit, tot ze naakt en eenzaam stonden. De film werkt andersom: hij pakt ze in. Hij begint bij hun kern en maakt ze per scène meer aanraakbaar.

De kern van de kleine jongen Mattia zien we in het kindertoneelstuk. Hij speelt een ijsbergje.

De kern van het kleine meisje Alice zien we televisie kijken. De tekenfilmfiguren roeren haar buitensporig.

Zo begint de film La solitudine dei numeri primi, waarin Mattia het gevoel zal houden dat hij in een toneelstuk staat. Hij heeft geen greep op de gebeurtenissen en iedereen kijkt naar hem. Alice zal blijven vrezen dat zij alleen op afstand meekrijgt wat het leven aan geweldigs voor anderen verzorgt.

De verfilming van een boek vraagt eigen accenten en de filmer veroorlooft zich een grote greep: niet de eenzaamheid van de priemgetallen is nog het onderwerp, maar hun verdriet.

De film is van Saverio Costanzo. Hij is de maker van het stille In memoria di me (2007), over een man die in een klooster treedt om priester te worden. Hij schreef en regisseerde ook het woedende Private (2004), een politieke film over een Palestijns gezin in bezet gebied.

En nu dus die Priemgetallen. Wéér iets anders. Een Italiaanse grotestadsgeschiedenis vol sociale beklemming. Maar Saverio Costanzo is geen windvaan. Zijn films gaan consequent over opgesloten zitten en stikken. De aspirant-priester in de stilte en de kloosterregels. De leden van het Palestijnse gezin in het eigen huis dat wordt geconfisqueerd door Israëlische soldaten. Alice en Mattia in zichzelf.

Maar om te beginnen worden ze verstikt door hun gezinnen.

Ze zijn de gevangenen van hun ouders. Die ouders zijn de wolf in het bos. Ze komen met mooie praatjes, maar ze slokken de kinderen op.

De vader verplettert Alice met zijn verwachtingen. Zij heeft gefaald. Vindt hij. Alices moeder denk er het hare van, maar heeft nog meer medelijden met zichzelf.

Mattia’s moeder spreekt kwaad van haar zoon: „D’r zit iets monsterlijks achter die negens en tienen.” Zijn vader sputtert een beetje tegen. Niet te veel, hij houdt van zijn vrouw. De camera glijdt naar de deur, daar staat Mattia te luisteren. Zijn ogen zijn verlicht, zijn mond zit in het donker. Reageren zal hij niet, maar hij heeft alles in zich opgenomen. Zijn moeder meent dat zijn zwijgzaamheid haar bang maakt. Maar ze zou van iets anders bang moeten zijn: van het geheim dat hij met die zwijgzaamheid bewaart. Daar wil ze juist niets van weten. Zij verloor een dochtertje, hij een zusje. En wie zijn schuld was dat?

Interessant is hoe de film de weerzin van Alice tegen haar vader reduceert en die van Mattia tegen zijn moeder vergroot. De twee spiegelen elkaar niet zo strikt meer. Bovendien wordt Mattia’s moeder geacteerd door Isabella Rossellini (die met de jaren meer op haar moeder Ingrid Bergman lijkt en net als zij elk beeld domineert). Zij speelt de rol die ze vaak vervult en die haar op het lijf geschreven is: een vrouw die tegelijk dwaas, wreed en wanhopig makend aardig is. Haar ongrijpbare personage maakt Mattia menselijker en Alice ook.

Zij zijn geen laboratoriumratjes, maar grillig getekend door het drama waar de film om draait. Sindsdien is Alice wereldvreemd, sindsdien reageert Mattia als een slaapwandelaar.

Als ze elkaar voor het eerst ontmoeten, zijn ze dertien, en aan hun zielepijn verslaafd geraakt. Die definieert ze. Hij snijdt in zichzelf, zij steekt haar vinger in haar keel – zo geef je kleur aan de afstompte werkelijkheid, zo voel je tenminste dat je leeft.

Dat herkennen ze in elkaar, en daarmee is hun band gesmeed.

Saverio Costanzo laat ze in het verloop van hun geschiedenis door tunnels lopen, van glas, van steen, van takken, van licht. Daadwerkelijk of in een visioen. Elke keer willen ze eruit, zetten ze koers naar het eind. En merken dat de tunnel geen tunnel is maar een ringweg, een van de kringen van de hel.

Zo’n kring is het tienerfeest waar ze vergeefs elkaar proberen te paaien. Onder flitsend licht en met zulke harde muziek dat het lijkt of er iets schort aan het geluid van de film. Maar nee, dat is het niet. Het is gewoon even een proeve van het inferno. Het jonge-jongens-inferno dat een jongen tot volledige onhandigheid veroordeelt. Het jonge-meisjes-inferno waarin een meisje zich verliefd onderwerpt aan een vereerd vriendinnetje – dat uiteraard geen vriendinnetje is maar een vijandin.

De filmer, die zijn scenario schreef in samenwerking met de schrijver, maakte radicale keuzes. Hij laat grote brokken weg uit de twee levensverhalen, ondanks dat de schrijver ze had ingevuld. De filmer beperkt zich tot de momenten dat de wegen van Alice en Mattia niet parallel lopen, maar elkaar kruisen. Hij verfilmt de ontploffing op zo’n snijpunt, het aantrekken en het afstoten.

Voor de lezer is dat een schok – hoe kan de film nou het huwelijk van Alice reduceren tot haar toestand na haar scheiding? Waar is het universitaire leven van Mattia? Maar Costanzo heeft gelijk. Hij moet een film maken, en dat is iets anders dan trouwhartig bladzijde na bladzijde de tekst volgen.

Hij springt heen en weer in de tijd, brengt verband aan tussen gebeurtenissen, vertraagt en versnelt. Dus inderdaad: het ene moment zie je Alice en Mattia elkaar uit het oog verliezen en het volgende ogenblik zie je haar eenzaam uit bad stappen. Zes, zeven jaar ouder. Een leven later, ziekelijk mager. Een afgemat lichaam. Armen als staken, een rug als een kooitje, ribben onder veel te strak vel. In grijs licht.

Mattia staat in zijn zwembroek. Zijn lichaam is uitgezakt.

Dat zegt genoeg.

Dit is film, de schok komt door een beeld dat vertelt over verdriet zonder sentimenteel te worden. Door een filmer die zwijgend een antwoord geeft dat niet bedoeld is om iets op te lossen maar om vragen op te roepen.

Wat is er in ’s hemelsnaam gebeurd? Waarom is dat mooie blonde krullenkindje dat een vreemde maar stevige jonge vrouw wist te worden, er nu zo aan toe?

Wie dat wil weten moet het boek maar lezen. Voor de film is Alices toestand een springplank naar een laatste ontmoeting met Mattia. In het boek laten ze elkaar los. In de film zit een prachtige graai naar een haardos.

Misschien leidt die hand in dat haar tot iets. Wie het geduld heeft om naar het geluid te luisteren dat Costanzo onder de slottitels verstopte, hoort knerpen en bewegen. Het zou kunnen dat Alice en Mattia samen weg wandelen.

Zeker is dat niet. We krijgen het niet te zien. Maar er is een kans.

Het geschuifel maakt plaats voor muziek.

„Yes sir, I can boogie…” zingt Baccara.

Ha!