Een exotische liefde

Vergeet Multatuli. Vijftig jaar voor ‘Max Havelaar’ was er al een Nederlandse schrijver die excelleerde in anti-koloniale tirades. Thomas Rosenboom leefde een jaar met het werk van de man die schreef als een vlammenwerper.

Ongeveer anderhalf jaar geleden vroeg uitgeverij Athenaeum mij of ik een boek van de 18de-eeuwse schrijver Jacob Haafner wilde hertalen in modern Nederlands. Ik was toen net klaar met een eigen boek en wilde best weer iets omhanden krijgen, alleen: wie was deze Haafner? Ik had nog nooit van hem gehoord.

Niet veel later kreeg ik de integrale en oorspronkelijke werken van Haafner toegestuurd, in de jaren negentig in drie dikke delen heruitgegeven door de Linschoten-Vereeniging en bezorgd door de heren De Moor en Van der Velde. Ik leerde Haafner kennen als een man die het grootste deel van zijn leven, de tweede helft van de 18de eeuw, in koloniaal Indië heeft geleefd, en daar in het eerste decennium van de 19de eeuw, terug in Amsterdam, verschillende boeken over heeft geschreven. Daarin komt hij naar voren als de felste en meest radicale anti-kolonialist uit de Nederlandse letterkunde.

Maar wacht eens even: Multatuli is toch onze kampioen anti-kolonialisme? Die nam het toch als eerste op voor ‘de arme Javaan’? Daar is hij toch niet voor niets zo beroemd mee geworden?

Dat zullen we nog eens zien. Het gaat hier om iemand die Multatuli in meerdere opzichten naar de kroon steekt. Haafner doet zijn hartstochtelijke aanklacht niet alleen vijftig jaar eerder dan Multatuli, hij gaat ook principieel verder dan hij. Waar Multatuli ervoor pleit om de uitwassen van het kolonialisme te bestrijden door meer ambtenaren naar Indië te sturen, en het kolonialisme dus eigenlijk te vergroten, daar pleit Haafner ervoor om met het kolonialisme gewoon op te houden.

Wie een schrijver wil introduceren moet het over zijn werk hebben, maar je kunt niet over Haafners boeken spreken zonder het tegelijk over zijn levensloop te hebben – die boeken zijn namelijk reisverhalen, en omdat Haafner vrijwel zijn hele leven op reis was vormen ze alle tezamen in feite zijn autobiografie.

Jacob Haafner werd in 1755 geboren in Duitsland. Toen hij acht was verhuisde het gezin van Emden, waar de medische praktijk van vader Haafner niet wilde floreren, naar Amsterdam. Maar, in de woorden van Haafner, ‘als vreemdeling zonder vrienden of voorspraak, en voorwerp van de afgunst van zijn concurrenten,’ kon dokter Haafner zijn Amsterdamse praktijk ook niet tot bloei brengen, zodat hij na een paar jaar maar als scheepsarts aanmonsterde bij de VOC. Zijn oudste zoon Jacob, toen net twaalf geworden, nam hij mee. Maar vlak voor Kaap de Goede Hoop overlijdt vader Haafner; totaal overstuur wordt Jacob in Kaapstad opgevangen door de heer Rijswijk, die de eerste vaderfiguur voor hem zal zijn – er zullen er nog vele volgen; het is pijnlijk om te zien hoe Jacob tot in zijn dertiger jaren telkens weer nieuwe vaderfiguren zoekt en vindt, en voortdurend zijn uiterste best doet een ‘goede zoon’ te zijn om hun vaderlijke liefde te winnen en zich waard te tonen.

Twee zorgeloze en ledige jaren verstrijken, dan vindt de heer Rijswijk dat Jacob vooruit moet in het leven en stuurt hij hem met een aanbevelingsbrief voor vicecommandeur Van den Burg naar Batavia. Van den Burg wordt de tweede vaderfiguur voor Jacob; hij neemt hem in huis als huisonderwijzer voor zijn kinderen, maar dit verblijf wordt geen succes, door toedoen van de overspelige vrouw des huizes. Mevrouw van den Burg had haar muziekmeester, Vonk geheten, niet alleen aangenomen als haar pianoleraar, maar ook als haar minnaar, wat Jacob ontdekte toen hij een keer onverwachts haar kamer binnenkwam en haar in Vonks armen zag liggen. Maar naast het pianospel en het overspel had mevrouw nog een liefhebberij. In de woorden van Haafner zelf: ‘Mevrouw van den Burg was een secreet dat er een barbaars genoegen in schiep haar huisslaven om het geringste „vergrijp” streng te straffen en zelf bij die strafoefening aanwezig te zijn [...] Zij hield elke zaterdag zitting want het lukte haar in een week tijd altijd veel overtredingen te constateren, de een nog meer gezocht dan de ander. Daarom waren er altijd voldoende slaven die ze kon vonnissen.’

De ironische toon van Haafner verdwijnt als het te erg wordt: ‘Op zaterdagochtenden weergalmde het huis al vroeg van het klaaggezang van de arme slavinnen, die uit de misnoegde blikken van hun beulin in de afgelopen week vrezen moesten dat zeer binnenkort de gespleten rieten hun vel uiteen zouden rijten. Ja, lezer! Deze tijgerin liet de rieten die zij voor haar strafoefening gebruikte in vieren splijten, waardoor die, wanneer ze op de naakte lichamen van de arme schepsels neerdaalden, de huid bijeenklemden en afscheurden. [...] Wie kan het deze mensen dan nog kwalijk nemen of zich erover verwonderen wanneer zij ten langen leste, door woede en wanhoop gegrepen, en in een roes van opium, besluiten om zich door zelfmoord uit hun lijden te verlossen, nadat ze eerst hun rechtmatige wraaklust op hun blanke tirannen hebben gekoeld?’ Blanke tirannen – de term zal vaak terugkeren.

Jacob wordt teruggestuurd naar Amsterdam waar hij zijn geld uitgeeft aan een opleiding tot tekenaar en schilder – dit zeer tegen de zin van

Vervolg op pagina 2

Vurige tirades tegen de Engelsen

zijn armlastige moeder, die hem wegstuurt. Na een jaar besluit Jacob, te innig aangeraakt toch door de tropen, dat hij terug wil naar Indië.

In de Nederlandse handelspost Nagapatnam op de kust van India wordt hij klerk. Negen jaar lang blijft hij daar in dienst van de VOC, dan neemt hij ontslag en vestigt zich als vrijburger, handelaar en particulier boekhouder in Sadras, een paar dorpen verder. Het wordt de gelukkigste periode van zijn leven, tot de Engelsen na twee jaar een einde aan de idylle maken door de plaats te verwoesten en de Nederlanders als krijgsgevangenen naar Madras af te voeren.

Het is dan 1781. Haafner kan vrij wonen en zich vrij bewegen in de ommuurde en door een inlandse krijgsheer belegerde stad, maar mag die niet verlaten. Zelf kan hij voldoende eten kopen, ook voor de weduwe van een vriend en haar knappe dochter Anna, een 15-jarige halfbloed, maar op straat sterven de inlanders onder ondraaglijke pijnen de hongerdood, die een marteldood is; de lijken liggen er bovenop elkaar terwijl de Engelsen een paar meter hoger, op de balkons, staan te te drinken en te lachen met hun minnaressen.

‘Om mijn weg naar zijn huis te bekorten sloeg ik een smal, onbewoond straatje in. Na een paar passen kwam mij een afgrijselijke stank tegemoet; mogelijk was men de laatste dagen vergeten de lijken uit deze steeg op te ruimen – daar lagen er drie bij elkaar, half vergaan al. Terwijl ik bijna flauwviel haastte ik mij om er door te komen, maar toen zag ik opeens een vrouw, mager als een geraamte, achter een ingevallen muur zitten. Naast haar lag het lijk van een man, en in allebei haar handen hield ze een dode zuigeling. Het volgende moment – ik kan er niet zonder te huiveren aan terugdenken – zag ik haar de bebloede tanden in één van de lichaampjes slaan en het weinige vlees losscheuren van de tedere leden. Mijn haar rees overeind, ik voelde de knieën onder mij wegzinken, en met moeite bereikte ik het huis van mijn vriend waar ik prompt op de grond viel en het bewustzijn verloor.’

Na een jaar weet Haafner met de weduwe en haar dochter per schip uit de stad te ontsnappen. De moeder neemt afscheid om haar familie op te zoeken en beveelt haar dochter aan in de zorgen van Haafner, die dolgelukkig met de knappe Anna verder reist naar Ceylon. Na een hachelijke oversteek bereiken ze uitgehongerd en uitgedroogd de kust, waar ze water en voedsel vinden, en zich dan voor het eerst aan elkaar geven: ‘O onvergetelijke nacht! Ik vergat al mijn plannen en voornemens, alle doorstane angsten en hopeloze vooruitzichten, en ook mijn vrienden en vaderland – ik vergat alles, in de armen van Anna.’

Het geluk kan niet op voor Haafner. Samen met Anna betrekt hij het tuinhuis van een oude vriend, samen met Anna speelt hij tikkertje en verstoppertje in de boomgaarden, samen met Anna baadt hij zich ’s ochtends in een vijver en wandelt hij ’s avonds over het strand. Maar dan verliest hij een aanmerkelijk deel van zijn geldmiddelen en verlaat Anna hem voor een rijke koopman.

Haafner leeft enkele jaren in Calcutta, waar hij een succesvol zakenman wordt. Het verdriet om Anna blijft Haafner parten spelen en op aanraden van een nieuwe vaderfiguur onderneemt hij een zakenreis zuidwaarts langs de kust van Coromandel, met een schip vol handelswaar en zijn hart vol pijn.

De reis doet Haafner per palankijn, dat wil zeggen in een draagbed dat door vier koelies gedragen wordt. Onderweg maakt hij de wonderlijkste avonturen mee, bezichtigt hij vele tempels en ontmoet hij, begin dertig nu, een jonge, Indische danseres die zijn vriendin zal worden, Mamia.

Omdat Haafner reist als een grote heer wordt hij in de dorpen die hij aandoet regelmatig verwelkomd door dansgroepen, zo ook een keer door de groep van Mamia. Hij is onder de indruk van het bekoorlijke, ongeveer 16-jarige meisje, wisselt blikken met haar uit, maar wanneer zij hem die nacht – hij ligt al in zijn palankijn te slapen – door de oude leidster van de groep een betelblad laat overhandigen ten teken van haar genegenheid, houdt hij de oude vrouw voor een koppelaarster, denkt hij aan betaalde liefde en stuurt hij de liefdesbetel misprijzend terug. Maar de volgende ochtend krijgt hij al spijt, en vanaf dat moment verandert zijn reis in een verliefde zoektocht: in elk dorp zoekt hij de dansgroep van Mamia, en wanneer hij haar terugvindt blijkt de wederzijdse liefde groot en zuiver.

Ze trekken naar Madras, waar hij een huisje voor haar huurt, waar ze zich ’s ochtends baden in een vijver en samen dromen van een teruggetrokken leven in een lieflijk dorp. Maar eerst moet hij nog voor zaken verder naar het zuiden. Op de avond voor zijn vertrek nemen ze teder afscheid, maar wanneer Haafner de volgende ochtend naar het strand gaat, waar hij een sloep heeft gereserveerd die hem naar zijn schip op de rede zal brengen, treft hij daar tot zijn verbazing Mamia aan. Ze is redeloos ongerust, en staat erop om met hem mee te varen naar het schip. Aanvankelijk weigert hij, want er staat een hoge branding en een Engelse officier heeft de sloep te zwaar beladen, maar op haar aandringen moet hij wel toegeven.

Het leidt tot een ramp: ze slaan overboord en worden gered, maar daarbij raakt Mamia zo gewond dat zij ziek wordt en sterft. Vlak voor haar dood vraagt zij Haafner of hij haar lijk naar Indisch gebruik wil laten verbranden en zelf als eerbewijs de houtstapel wil aansteken.

Gadegeslagen door het hele dorp doet Haafner zijn belofte gestand, waarna hij de as van Mamia’s botten in een pot begraaft op een heuvel onder de palmen. ‘Zo lang de palmen op de heuvel hun ruisende kronen in de wind zullen schudden,’ schrijft hij tot besluit van het aangrijpende tafereel, ‘zo lang zullen de dorpelingen zich de blanke en zijn geliefde Mamia herinneren.’ Het verlies van Mamia betekent het einde van Haafners leven in de tropen. Hij besluit terug te keren naar Amsterdam. De eerste jaren gaat het hem goed, hij vindt een vrouw en wordt vader. Maar ten gevolge van de in 1789 uitgebroken Franse Revolutie, verliest hij zijn in Franse staatsleningen belegde kapitaal.

Hij moet op zoek naar inkomsten. Zijn sollicitatiebrieven gaan steeds meer op bedelbrieven lijken, maar blijven zonder resultaat – net als vroeger zijn Duitse vader was Haafner een vreemdeling zonder vrienden of voorspraak, en derhalve kansloos.

Hij begint een pijpenhandel. Alles verandert in 1803, als Teyler’s Godgeleerd Genootschap een prijsvraag uitschrijft naar het nut van het zendelingswerk overzee. Haafner ruikt zijn kans, en schrijft een jaar aan een lang en geleerd antwoord, dat toch zeer kort valt samen te vatten: die zending heeft geen enkel nut en levert niets op, ten eerste omdat de missionarissen met hun liederlijke gedrag niet echt reclame maken voor de christelijke God, en ten tweede omdat er aan die God geen enkele behoefte is: de Indiërs hebben hun eigen Goden al, en die voldoen uitstekend.

De radicale en provocerende verhandeling blijkt goed voor 400 gulden, en Jacob Haafner wordt als schrijver geboren. Nu hij heeft ondervonden dat schrijven iets kan opleveren begint hij koortsachtig zijn Indische herinneringen en aantekeningen uit te werken tot reisverhalen (behalve een gebroken hart heeft hij in Indië ook angina pectoris opgelopen, hij heeft niet lang meer te leven maar nog zo veel te vertellen).

Het eerste wat hij publiceert betreft zijn avontuurlijke vlucht uit Madras naar Ceylon, die zou eindigen in de armen van Anna. Daarna verschijnt het reisverhaal waarin hij Mamia ontmoet en verliest, wat dus tevens een liefdesverhaal is – het komt onder de titel ‘Reize in eenen palanquin’ uit in 1808 en wordt prompt in het Duits en in het Frans vertaald. Haafner werkt gejaagd door, maar zonder dat er nog meer werk van hem wordt gepubliceerd sterft hij een jaar later, 54 jaar oud, in 1809. Zijn andere werk werd pas decennia later uitgegeven door zijn oudste zoon; ook in de literaire wereld was hij een vreemdeling zonder vrienden of voorspraak.

Volgend voorjaar verschijnt mijn hertaling van Reis in een palankijn. Het eerste wat bij lezing van het verhaal opvalt zijn de ongemeen vurige tirades tegen de wandaden van de Europeanen in koloniaal Indië; dan hekelt hij met name de Engelsen, dan beeft hij van verontwaardiging, dan staat zijn hart in lichterlaaie, dan laait zijn proza op als vuur, ja: dan schrijft hij als een vlammenwerper.

Iets anders waarmee Haafner zich van zijn tijdgenoten onderscheidt is zijn ongekunstelde taal – uiteraard, zou je bijna zeggen, want na al die jaren in de tropen ben je de deftige Hollandse stijfheid wel kwijt. Maar ongekunstelde taal, was dat niet ook het handelsmerk van Multatuli? Jazeker, alleen: Haafner deed het al vijftig jaar eerder, en dan zonder zich erop voor te laten staan, zonder dedain voor de plechtstatige boekentaal van de schrijvende dominees en andere letterkundigen uit zijn tijd – Haafner was helemaal niet met anderen bezig, en eigenlijk ook niet met literatuur.

Het laatste wat Haafner ten zeerste typeert, is zijn zuivere liefde voor Indië. Aan het eind van zijn Indische periode, het jaar dus waarin Reis in een palankijn speelt, heeft hij 23 jaar in Indië gewoond, en hij beweegt zich dan ook door dat boek als een volledig geassimileerde Europeaan: hij spreekt Indische talen, heeft Indische eetgewoontes, eet geen rund- en varkensvlees meer, hij heeft het bestek afgezworen en eet met zijn vingers.

Haafner is een formidabele schrijver die werkelijk kan emotioneren, die beschikt over humor en wijsheid, en die de lezer niet alleen probeert te winnen voor zijn zaak maar hem daarnaast ook volkomen eerlijk en openhartig vertelt over zijn kleine zwaktes, zijn dromen en ontgoochelingen. Ik heb het laatste jaar met niemand zoveel tijd doorgebracht als met Jacob Haafner – ik ben zeer op hem gesteld geraakt.

Deze tekst is een bewerking van de Albert Verweylezing die Rosenboom gisteravond uitsprak in Leiden.

    • Thomas Rosenboom