Doktertje spelen - of is het misbruik

Commotie in Doetinchem. Een jongetje van zes jaar zou klasgenootjes seksueel hebben misbruikt. Bewijs ontbreekt. De emotie was er niet minder om. Cameraploegen bij de school. Hoe kon de zaak zo uit de hand lopen?

Nederland, Doetinchem, 18-11-2010 Basisschool de Huet. Foto Flip Franssen

Cameraploegen voor de school. Een kleuterklas waarvan de helft thuis wordt gehouden. Een wijkagent bij een informatieavond. Een moeder die over het schoolplein schreeuwt: „Iedereen mag weten dat hier kinderen misbruikt worden.” Kinderen met wilde verhalen.

Op basisschool De Huet in Doetinchem gaat het al weken over niets anders: het jongetje van zes jaar oud dat klasgenootjes seksueel zou hebben misbruikt. Eerst waren er twee slachtoffertjes. Toen drie, toen vier. Ouders maken zich zorgen: is er iets met mijn kind gebeurd?

Wát er precies is gebeurd, is onduidelijk. Feiten achterhalen bij kleuters is moeilijk, zo niet onmogelijk. Zeker wanneer zij door hun eigen ouders zijn bevraagd. Theo Huting, directeur van de schoolstichting, wil de zaak serieus onderzoeken. Maar, zegt hij ook: „Niet wat hier is gebeurd, is het nieuws, maar de commotie die is ontstaan”.

Want op school zitten kleine kinderen wel meer aan elkaar. Vaak spelend, soms grensoverschrijdend. Is dat seksueel? Heet dat misbruik? Massapsycholoog Jaap van Ginneken wijst naar andere zaken die tot paniek leidden: de Bolderkaraffaire waarbij veertien kinderen uit huis werden geplaatst. Oude Pekela, waar een clown kinderen zou hebben misbruikt. In zulke zaken spreek je niet over waarheid, zegt Van Ginneken, maar over ‘de definitie van de situatie’. „Die staat niet vast, daar onderhandelen betrokkenen over. We zijn strikter geworden, nu noemen we iets sneller misbruik.”

Meestal lossen scholen zo’n melding op met gesprekken en extra begeleiding. In Doetinchem ontplofte het.

De ophef begint op 14 oktober. Twee moeders melden zich bij de school met een identiek verhaal. Een jongetje van zes – ze weten wie – heeft zijn vinger tussen de billen van hun zoontjes gestoken en dreigend geëist dat ze zijn piemel likten. Zijn ouders worden ingelicht. De vertrouwenspersoon informeert de zedenpolitie.

Na de herfstvakantie is er zoveel onrust dat het jongetje thuisblijft, drie weken lang. De ouders laten hem psychologisch onderzoeken. Er komt niets bijzonders uit. De school belegt twee informatieavonden. Ouders zijn angstig: waar rook is, is vuur, zeggen ze. Een derde melding komt binnen – exact hetzelfde verhaal.

Op 11 november brengt De Gelderlander het bericht dat ouders dreigen hun kind van De Huet te halen als het jongetje terugkeert. De Telegraaf meldt seksueel misbruik „op grove wijze”, het jongetje zou doodsbedreigingen hebben geuit. Ouders gaan in discussie op webfora.

Diezelfde dag: een vierde melding, zelfde verhaal, nog een ouderavond. De school haalt er een wijkagent bij. Theo Huting zet de ouders in een kring voor een gesprek. De emoties lopen zo hoog op dat Huting de ouders pas vrijdag per brief durft mee te delen dat het jongetje weer naar school zal gaan, naar een parallelklas. „Als ik dat toen had gezegd, waren ze me aangevlogen.”

De ouders van het jongetje waren er die avond ook bij. Ze zijn allochtoon, vertellen de mensen. „Ze hadden het zwaar, ze spreken niet zo goed Nederlands”, zeggen ouders van een klasgenootje. „Maar er was ook respect.” Geen van de ouders wil hun huis aanwijzen.

De volgende maandag blijven zestien kinderen thuis. Wegens de aanwezige cameraploegen, zeggen ze. Dinsdag zijn twee kinderen naar een andere school overgeplaatst. De andere kleuters zijn er weer, op twee ziek gemelde kinderen na.

Wat heeft de boel nou zo opgezweept? „Vaak is bij zo’n situatie een katalysator in beeld”, zegt massapsycholoog Van Ginneken. „Iemand die de definitie van wat heeft plaatsgevonden kantelt.” De media kunnen die definitie versterken.

Zo’n katalysator was er ook op basisschool De Huet, denkt directeur Huting. Hij wijst naar de moeder van een zoontje met een autistische stoornis, dat nu in het speciaal onderwijs zit. Vorig jaar al maakte zij bij de school melding van seksueel misbruik van haar zoon – het ging om dezelfde handelingen. „We hebben dat onderzocht, maar we kwamen niet verder.” Hij vermoedt dat zij de pers heeft ingelicht en onrust heeft gestookt, maar hij wil niet vertellen wie zij is.

Na rondvragen blijkt de moeder van het jongetje met de stoornis in een wijkje verderop te wonen. Ze wil wel praten, maar niet met haar naam in de krant.

Haar kind had „een geheim”, vertelt ze. Toen hij een keer na het douchen in zijn blootje in de woonkamer stond, kwam het verhaal eruit. „Het zweet brak me uit.” De moeder tekende een poppetje op papier. „Er moest meteen een piemeltje en een poepgaatje bij.” De moeder schakelde een hulpverlener in. „Dit was geen doktertje spelen, dit was seksueel misbruik.”

Onduidelijk bleef om wie het ging. Meer tekeningen volgden. Hij noemde namen, waaronder die van dat ene jongetje. Ze lichtte de school in. Bij gebrek aan bewijs stopte het onderzoek na een tijdje. De moeder voelde zich afgescheept.

Intussen kon het incident bij andere ouders niet onopgemerkt zijn gebleven: het kind voelde zich onveilig en wilde in speelgoedpolitiepak naar school. De moeder bleef een keer bij tijdens de les.

En toen stonden er na de herfstvakantie opeens twee moeders op haar stoep. Die hadden gehoord over het seksueel misbruik van haar zoontje. Zij hadden hetzelfde verhaal, en ze tastten af of het om hetzelfde dadertje ging. „Ik dacht: hoe kan het nu wéér gebeurd zijn?”

Verontwaardigd ging ze die avond naar school, waar op dat moment een overleg was. Toen ze niet werd binnengelaten, knapte er iets. „Ik heb staan schreeuwen op het schoolplein. Ik heb geschopt en op de ramen gebonkt.” Andere ouders hoorden haar schreeuwen. Uit onvrede belde ze De Gelderlander over de nieuwe meldingen. Die nam de term ‘misbruik’ over.

Onduidelijk is hoe en op welk moment de twee moeders beïnvloed zijn door de eerdere melding van seksueel misbruik op De Huet. Er is contact geweest tussen de drie moeders, maar was dat voor of na hun eigen melding? Ze willen er na alle media-aandacht niet meer over praten.

En nu? De school heeft een gesprek gehad met de moeder van het autistische jongetje. „We zijn eindelijk gehoord.” Ook heeft de directeur een extra klassenassistent geregeld, nazorg voor het vermeende dadertje, de vermeende slachtoffers en klasgenootjes, maatschappelijk werk voor de ouders, begeleiding voor het team, en versterking van de directie.

Voor sommige ouders komt dat te laat. Ze vinden dat er sneller professionele hulp had moeten zijn, zodat de verhalen niet groter werden. „Nu kon het weken rondzingen.” Een moeder vertelt dat haar zoontje nu thuiskomt met verhalen over ‘neuken’. De school wijst erop dat de ouders direct na de herfstvakantie zijn ingelicht.

Had de school de commotie kunnen voorkomen? Op het schoolplein wordt toch wel gepraat, zeggen de ouders. „Vooral bij de kleuteruitgang. Daar gaat het de hele tijd over de ontwikkeling van je kind.”

Nuchter blijven bij zulke akelige verhalen is moeilijk. „Het is toch je kind.”

De namen van de betrokken ouders zijn bekend bij de redactie.