Dit is het kabinet dat sparen straft en straft

Sparen is lijden.

Met dank aan het kabinet.

De rente op spaargeld is laag. De vraag naar geld van de overheid is groot, maar de prijs daarvan, de rente, is in Nederland de afgelopen maanden rap gezakt. Met dank aan de Europese schuldencrisis kan Nederland voordelig geld lenen.

Nederland geldt als een veilige haven. Het begrotingstekort? Snoeien is groeien, zegt het kabinet-Rutte. De staatsschuld? Beheersbaar. Nederland heeft 800 miljard euro apart gezet voor pensioenen en burgers bezitten ook 290 miljard euro spaargeld.

Maar ja, met die lage rente levert sparen niet veel meer op dan 2 à 2,5 procent. Alleen wie zijn geld voor jaren vastzet krijgt wat meer. De overheid betaalt 3,25 procent rente op staatsobligaties met een looptijd van vijf jaar.

Desondanks gaat dezelfde overheid er bij de belastingheffing nog steeds vanuit dat mensen 4 procent rendement realiseren op hun vermogen. Over deze fictieve opbrengst moet je 30 procent belasting betalen, dat is de vermogensrendementsheffing. De 4 procent is vastgesteld bij de invoering van een nieuw belastingstelsel in 2001. Toen was de rente op spaargeld minus inflatie wel ongeveer vier.

Nu niet meer.

Wie 2 procent rente krijgt op 100 euro spaargeld verdient 2 euro. De vermogensrendementsheffing is 1,20 euro. Een feitelijk belastingtarief van 60 procent.

De afgelopen week stelde PvdA-woordvoerder Ed Groot in de Tweede Kamer het verschil tussen fictie en werkelijkheid aan de orde in het debat over de belastingwetten van staatssecretaris Frans Weekers (Financiën, VVD). Moet het kabinet niet overstappen naar een percentage dat aansluit bij de realiteit?

Ook Willem Vermeend (PvdA), die in 2001 als staatssecretaris van Financiën de invoering van de vermogensrendementsheffing regisseerde, vindt dat het anders moet.

Weekers verdedigt de 4 procent met twee cijfers: het gemiddelde rendement op tienjarige staatsleningen over een periode van tien jaar (4,3 procent) en vijf jaar (3,9 procent). Zijn boodschap: fictie is realiteit.

Daar valt wel iets op af te dingen. Gemiddelden zijn bedrieglijk. U kent de grap van die econoom zonder zwemdiploma die ging zwemmen in een meer dat gemiddeld 1,40 diep was?

Hij verzoop.

De gemiddelden zijn resultaten uit het verleden. Die betekenen niets voor de aanslag van de belastingbetaler nu.

Weekers staaft zijn beleid met een bijlage in de laatste Macro-economische verkenning van het Centraal Planbureau (CPB). Maar daarin staat ook: de rente in 2009 was 3,7 procent, in 2010 is het 3,25 procent, in 2011 is het 3,75 procent. De rente op spaargeld ligt daar nog onder.

De laatste verdedigingslinie is vorig jaar opgebouwd door Wee-kers’ voorganger, Jan Kees de Jager (CDA), nu minister van Financiën. Hij becijferde dat 80 procent van de huishoudens geen vermogensrendementsheffing betaalt omdat zij de fiscale vrijstellingen kunnen gebruiken. De resterende 20 procent ‘meervermogenden’ betaalt 3 miljard euro. Dat zijn 1,6 miljoen huishoudens. En ja, ik ben er een van.

CDA- en VVD-kiezers zijn, zo mag je aannemen, in deze 20 procent sterk vertegenwoordigd. Nemen zij de vermogensrendementsheffing voor lief omdat hun partij de hypotheekrenteaftrek in stand houdt? En daarmee schulden blijft stimuleren.

In Den Haag wordt de beeldvorming nu omgedraaid. Sparen is een Hollandse deugd. De PvdA komt op voor rijke spaarders, het kabinet steunt schuldenmakers.

MENNO TAMMINGA