De geboorte van het denken

In het eerste deel van de Nederlandse Descartes-bibliotheek ontdekt Ger Groot dat er in de ziel van de aartsvader van het rationalisme een poëtische vonk sluimerde.

René Descartes, (en Erik-Jan Bos en Han van Ruler, red.): Bibliotheek Descartes. Band I. Regels om richting te geven aan het verstand en ander vroeg werk. Boom, 350 blz. € 34,90

‘Je zou je kunnen afvragen waarom waardevolle uitspraken vaker in de werken van dichters staan dan in die van filosofen’, schrijft de jonge René Descartes in 1619 of 1620 in zijn notitieboekje. ‘Dat komt doordat dichters schrijven vanuit bezieling en verbeeldingskracht. Er zijn vonken van kennis in ons, zoals in vuursteen; door filosofen worden ze met de rede tevoorschijn gehaald, maar door dichters worden ze er met de verbeelding uit geslagen en daardoor geven ze meer licht.’

Zoiets zou je niet verwachten van een man die juist om zijn rationalisme beroemd is geworden. Het van zijn naam afgeleide woord ‘cartesiaans’ zou in de loop van de geschiedenis synoniem worden met de heldere, maar afstandelijke en zelfs kille manier van redeneren die eeuwenlang haar stempel heeft gedrukt op de Franse filosofie. Onverwachts blijkt in de ziel van de aartsvader daarvan een poëtische vonk te hebben gesluimerd.

Deze aantekening is terug te vinden in het zojuist verschenen eerste deel van de (vrijwel) volledige werken van Descartes in Nederlandse vertaling. Acht delen moeten het worden. Het tweede zal binnenkort verschijnen, maar wanneer het monsterproject voltooid moet zijn laten de uitgever en bezorgers wijselijk in het midden. Zeker is wel dat dit de eerste volledige Nederlandse editie van Descartes’ werk moet worden sinds 1692.

Dat is vreemd, want Descartes heeft met dit land een nauwe band. Ruim twintig jaar verbleef hij – zij het met onderbrekingen – in Nederland. Aanvankelijk was hij, als soldaat in het leger van prins Maurits, ingekwartierd bij Breda. Later woonde hij in Amsterdam, Franeker, Harderwijk en nog een handvol andere plaatsen, en hij schreef er zijn belangrijkste werken. De geleerde koningin Christina lokte hem met een aantrekkelijke aanstelling aan het hof naar Zweden, waar het klimaat hem te machtig werd. Na iets meer dan een jaar overleed hij er in 1650 aan een longontsteking, nog net geen 54 jaar oud.

Descartes was toen al een beroemdheid. Met het eerste boek dat hij gepubliceerd had, het in het Frans geschreven Vertoog over de methode uit 1637, had hij de filosofie én de wetenschap (die twee lagen toen nog ineen) een nieuwe grondslag gegeven. Wat moeten we aan met al die meningen waarmee denkers elkaar om de oren slaan en die elkaar radicaal tegenspreken? – zo had Descartes zich afgevraagd. Zekerheid vereist een betrouwbaarder fundament. Hij vond dat in de wiskunde, de discipline waarin hij zich (als de uitvinder van de analytische meetkunde) al een genie betoond had.

Elke kennis moet, net als de wiskunde, stoelen op volstrekt evidente uitgangspunten, aldus Descartes. En daartoe moet ik twijfelen aan alles wat níét volstrekt zeker is. Wat houd ik dan over? Enkel het feit dát ik twijfel, dat wil zeggen: dat ik denk. En dus, zo concludeerde hij, dat ik besta. Dat uitgangspunt is beroemd geworden in de formule uit Descartes’ Meditaties waarin hij vier jaar na het Vertoog zijn redenering ter wille van het internationale geleerdenpubliek nog eens in het Latijn overdeed: Cogito ergo sum.

Aan dat uitgangspunt wist Descartes via afleidingsregels steeds nieuwe waarheden te ontlokken, precies zoals dat in de wiskunde gebeurt. Waarheid wordt ons dus niet gegarandeerd door de inhoud van een bewering, maar in de strengheid waarmee die methodisch uit reeds bestaande waarheden is afgeleid. Daarmee gaf Descartes een beslissende wending aan wat sindsdien als ‘wetenschap’ wordt beschouwd. Wetenschap is methode: dat is één kant. Dat ze ook systematische observatie en proefondervindelijke empirie veronderstelt: daarmee kon de wiskundige Descartes minder goed uit de voeten. Het zouden vooral Angelsaksische denkers zijn die dát aspect van de moderne wetenschap in het geding zouden brengen.

Was het daarbij gebleven, dan zou Descartes niet de dubieuze reputatie hebben gekregen waaronder hij inmiddels sinds ruim een halve eeuw gebukt gaat. Want, zo merkt de filosoof Han van Ruler (samen met de Descartes-specialist Erik-Jan Bos de redacteur van deze uitgave) in zijn inleiding op, het succes van het Vertoog en de Meditaties overschaduwde al het andere werk van Descartes. Zij werden gezien als samenvattingen van zijn wereldvisie, terwijl ze in de eerste plaats methodologische werken waren geweest. Descartes’ eigen blik was veel breder. Hij deed ook natuurkundig en anatomisch onderzoek en zou tegen het einde van zijn leven een boek schrijven over de passies van de ziel.

Maar in de herinnering zou hij voortleven als schrijver van werken waarin men niet langer een visie op de wetenschap maar een visie op de mens en de wereld als geheel wenste te lezen. En zo werd Descartes de belichaming van een scherp maar kil denken dat van geen emoties weten wil, en waarin lichaam en geest zo scherp van elkaar worden gescheiden dat geen mens ze ooit meer bij elkaar heeft kunnen brengen. Ook vandaag de dag nog breken duizenden filosofen zich het hoofd over een lichaam-geest-problematiek die even hardnekkig als onvruchtbaar blijkt.

Wie het nu verschenen eerste deel van de Nederlandse Descartes-bibliotheek leest, ziet inderdaad een andere denker naar voren komen dan de strenge dualist en rationalist uit de geschiedenisboekjes. Het bevat de jeugdgeschriften (de reeks is chronologisch opgebouwd) die Descartes zelf nooit heeft uitgegeven, en daarvan is het notitieboekje het aangrijpendste. Descartes tekent er levenswijsheden in op (‘Door je vrienden terechtgewezen worden is even nuttig als het eervol is door je vijanden te worden geprezen’); hij maakt plannen voor reizen en publicaties; hij schrijft over hydrostatica en zonnewijzers. En hij heeft er de dromen in genoteerd die hem naar eigen zeggen definitief op het pad van de wetenschap hebben gebracht.

En hij prijst de poëtische verbeeldingskracht, als belangrijker dan die van de filosofie of de wetenschap. Waarom? Omdat de imaginatio zich werkelijk iets voor ogen kan toveren. Meer nog dan verbeeldingskracht is zij voorstellingsvermogen. En juist dát is voor de wetenschap van het hoogste belang. Wie een wiskundige stelling wil begrijpen, moet zich die als het ware als een figuur kunnen voorstellen – zo meent Descartes dan nog – om dan met één blik de juistheid ervan te kunnen doorzien. De verbeeldingskracht doet de wetenschap niet alleen inspiratie en ideeën aan de hand; ze vormt ook het intuïtieve bewijs van die ideeën zelf.

Dat Descartes in poëzie en wetenschap eenzelfde methodische kern meent te ontdekken, blijkt ook uit zijn notitieboekje. Direct na deze ontboezeming tekent hij aan: ‘De uitspraken van de wijzen kunnen worden herleid tot een paar algemene regels.’ Die methodiek probeert hij voor het eerst uit in een systematisch geschrift dat hij een paar jaar later onafgemaakt laat liggen. In deze Regels om richting te geven aan het verstand loopt hij uiteindelijk vast. Wanneer de wiskunde ingewikkelder wordt, lukt het niet meer de juistheid daarvan met één blik vol verbeeldingskracht te doorzien, zo moet hij toegeven. Het zal bijna tien jaar duren voordat hij in zijn Vertoog een methodologie ontwikkelt die wél standhoudt onder zijn kritische blik.

In zijn notitieboekje zet Descartes zich af tegen wat in zijn tijd voor wetenschap doorgaat, maar soms sluipt er onverhoeds toch weer iets binnen van de renaissancegeleerdheid die hij elders zo heftig verwerpt. Hij is een scherp denker, maar houdt niet op een gelovige te zijn. En hij betoont zich diep onder de indruk van zijn vriend Isaac Beeckman, die hij kort daarvoor heeft ontmoet en die hem misschien wel het boekje cadeau heeft gedaan waarin hij zijn aantekeningen noteert.

Als dat zo was, dan was dat een zaak van dienst en wederdienst geweest. Wanneer Descartes in het najaar van 1618 de ruim zeven jaar oudere Isaac Beeckman ontmoet, herkennen zij elkaar als verwante zielen, gefascineerd door wiskunde en natuuronderzoek. Op Beeckmans verzoek schrijft Descartes een korte verhandeling over de muziek, die ook in dit boek opgenomen en veelzeggend is in zijn beperkingen. Descartes schrijft vrijwel uitsluitend over snaarlengten, intervallen en de mathematische aspecten daarvan. Hij was en bleef allereerst een wiskundige.

Op 1 januari 1619 overhandigde Descartes het manuscript aan zijn vriend Beeckman. Dezelfde datum heeft hij op de kaft van zijn aantekenboekje genoteerd. Pas na zijn dood werd de tekst ervan gepubliceerd, net als alle andere in dit fraai uitgegeven en voortreffelijk bezorgde eerste deel van de Nederlandse Descartes-bibliotheek. Niet alleen komt daarin de denker Descartes tot leven, door zijn tastende teksten heen zie je hoe zich in deze Gründerzeit van de moderne filosofie de ideeën vormen die voor ons zo vanzelfsprekend geworden zijn dat we ze als onontkoombaar zijn gaan beschouwen.

Volgens de Amerikaanse kinderpsycholoog Paul Bloom worden wij allemaal geboren met een dualistische mensvisie, zo noteert Han van Ruler in zijn voorwoord. Descartes’ Baby heette het boek waarin hij die stelling poneert. Wie de jeugdgeschriften van Descartes zelf leest, is daar niet meer zo zeker van.

Zo aangescherpt als die gedachte in Descartes’ Vertoog naar voren komt, was ze vóór hem niet, en was ze door hemzelf misschien ook wel niet bedoeld. De neurowetenschappen die nu aan datzelfde dualisme de oorlog hebben verklaard, strijden misschien wel tegen een fantoom – hoe diep dat misverstand zich ook in de geschiedenis van het denken geworteld mag hebben.

    • Ger Groot