Dansfestivals schieten als paddestoelen uit de grond

Deze dagen staan de dansvoorstellingen in de Amsterdamse Nes in het teken van massahysterie. Ofwel mass mania, want we hebben het hier over het thema van Breakin’ Walls Winter 2010, het Amsterdamse, internationale, multidisciplinaire jongerenfestival en zoals bekend verstaan jongeren alleen Engels. (Tussendoor een tip voor al diegenen die hun post en websites uitsluitend in het Engels stellen: in het huidige politieke klimaat is het wellicht verstandiger althans te veinzen (ook) met een Nederlands publiek te willen communiceren en dus (ook) Nederlandse teksten te publiceren. Bovendien: wie het Engels beheerst, is geletterd, heeft schoolgegaan en laadt dus al gauw de verdenking op zich elitair te zijn. Tot zover.)

De redactie van Breakin’ Walls koos voor dit thema naar aanleiding van de gebeurtenissen op 4 mei 2010, toen bij de dodenherdenking op de Dam paniek uitbrak. „Was dit pure angst?” vraagt de festivalredactie zich af. „Of collectieve hysterie?”

Vooral de tweede vraag is interessant. Collectief was de schrikreactie op de Dam zeker. En de plechtige dodenherdenking op de Dam is de laatste jaren steeds meer een soort must see (verstaat u mij?) geworden, een evenement dat je ten minste een keer in je leven moet hebben meegemaakt. Niet echt vergelijkbaar met bungy-jumpen, maar toch.

Steeds vaker wordt het publiek aangesproken op de angst iets te missen. Hoe doet men dat? Door de activiteit in kwestie flink op te pompen en te ‘pimpen’ . Een van de eenvoudigste manieren om meer aandacht te genereren is op een, of een aantal aansluitende activiteiten het label ‘festival’ te plakken.

In de Nederlandse danswereld is men daar dol op. Drie voorstellingen op rij? Festival! Ze schieten als paddestoelen uit de grond. Cover, Tender Fall, JongDansFestival, Open Dans Rotterdam, Amsterdamdans, Mixed Emotions, Talent on the Move, Punch! Allemaal hartstikke leuk hoor, en soms inhoudelijk echt een toevoeging (Cover bijvoorbeeld), maar meestal weet geen mens waar het over gaat en wat het verschil is, of dat ze überhaupt bestaan.

Zo schiet men zijn doel in gestrekte draf voorbij, tenzij het vooral erom gaat geld uit ‘festivalpotjes’ te halen . Hoe het ook zij, het woord ‘dansfestival’ is de laatste jaren aan inflatie onderhevig.

Ooit was dat anders. Toen men in 1991 voor het eerst onder de vlag van Julidans drie voorstellingen presenteerde in de Amsterdamse Stadsschouwburg, werd bewust gekozen het grote woord festival voorlopig maar achterwege te laten. Pas toen de ‘zomerbespeling’ qua omvang ergens op leek, werd het predicaat toegevoegd.

Breakin’ Walls bestaat uit zes voorstellingen, waarvan er twee al eerder te zien waren (I can ride my horse while juggling so marry me en Everland) en één een bewerking is van de Nederlandse festivalhit Couple-Like van Leren Levi en Ugo Dehaes. En dit is dan nog de ‘grote festivaleditie’ van Breakin’ Walls, dat een kleinere spin-off heeft in april en diverse programma’s, BW Sideshows geheten, gedurende het hele seizoen. Eigenlijk dus geen festival. Zeg dat dan.