Coöperatie verlicht seksbranche

Tien jaar na opheffing van het bordeelverbod leiden sekswerkers nog altijd in een schimmig bestaan. Vorming van ‘coöperaties’ kan hun positie verbeteren, maar de fiscus ligt dwars.

Ze mag dan werken onder een artiestennaam – „mijn moeder hoeft niet te weten wat ik doe” – Linda praat vol trots over haar bestaan als gastvrouw in een privéhuis. „Veel van mijn klanten hebben een geestelijke of lichamelijke beperking”, zegt Linda, die in een vorig leven gehandicapten verzorgde. „De gebochelde van de Notre Dame is mijn specialiteit.” Ze lacht.

Linda is een onafhankelijke prostituee. Ze beslist zelf over haar werktijden, kleding, tarieven en klanten. Linda is met ongeveer honderd andere prostituees wel in loondienst, bij een coöperatie die belastingen en verzekeringspremies inhoudt. Daardoor is ze bijvoorbeeld verzekerd bij ziekte. „Onlangs heb ik mijn arm gebroken. Daardoor kon ik een paar weken niet werken. Maar ik werd wel doorbetaald.”

De coöperatie is een normaal bedrijf. Maar in de branche voor de betaalde seks is dat nog altijd iets bijzonders. De overheid hief het bordeelverbod in 2000 op, in de verwachting dat prostitutie zo een normale sector zou worden. Een stelsel van vergunningen moest zorgen voor betere arbeidsvoorwaarden voor prostituees, of ze nu in loondienst, dan wel kleine zelfstandige zijn.

De sekswerkers leven echter nog altijd in een schimmige wereld, concludeerde het WODC, het onderzoeksinstituut van het ministerie van Justitie twee jaar geleden. De ongeveer 25.000 prostituees – ruwe schatting van de onderzoekers – verdienen doorgaans niets als ze ziek of ongesteld zijn en ze zijn lang niet altijd de baas over hun eigen geld. De branche is op oude voet door gegaan, innovaties ontbreken, aldus het WODC.

Om de seksbranche verder te reguleren heeft het vorige kabinet een wetsvoorstel ingediend. Een meerderheid van de Tweede Kamer staat er in beginsel welwillend tegenover, maar de behandeling laat op zich wachten. Bij nogal wat sekswerkers wekt het voorstel ongenoegen, vooral omdat het voorziet in registratie van prostituees.

„De overheid kan ons initiatief steunen”, zegt voorzitter Kristel Fick van de coöperatie. „Wij maken van het vak van prostituee een normaal beroep en bieden de werknemer bescherming en zelfstandigheid.”

De coöperatie controleert de werkplekken achter de ‘ramen’ en in clubs en privéhuizen, waar de prostituees op een gezonde manier en volledig zelfstandig moeten kunnen werken. Clubs die zijn goedgekeurd, staan vermeld op de website Topwomen.nl van de coöperatie. Daarop wordt reclame gemaakt voor de dames en de plaatsen waar diensten worden aangeboden.

De gemeenten, die nu de vergunningen afgeven voor prostitutiegelegenheden, staan vaak welwillend tegenover het coöperatiesysteem. Dit voorjaar schreef toenmalig wethouder Marijke Vos (Zorg, GroenLinks) over de coöperatie: „In Amsterdam zouden we daar ook verder over kunnen nadenken.” Bestuurders zien in de coöperatie een vorm van innovatie, die de overheid al lang wenst, maar die nauwelijks van de grond komt.

De lotgevallen van de coöperatie laten zien hoe lastig het is om iets nieuws te doen in de seksbranche. De Belastingdienst is niet gecharmeerd van het coöperatiemodel. Wat de bezwaren precies zijn, wil de fiscus niet zeggen. „We geven nooit informatie over individuele gevallen”, zegt een woordvoerster. De Belastingdienst houdt vast aan zijn eigen model. Daarbij betaalt de exploitant van een club of privéhuis belasting over de omzet van de prostituee.

De coöperatie en de Belastingdienst zijn verwikkeld in een juridische strijd. Daar heeft Fick bij haar zendingswerk voor de coöperatie veel last van. Na het enthousiaste onthaal door Marijke Vos, kreeg Fick in Amsterdam een afspraak met Mariska van Huissteden van het gezondheidscentrum voor prostituees, PG292. Maar toen Van Huissteden vernam van de problemen met de fiscus, zegde zij die afspraak af: „Zolang er geen overeenstemming is met de Belastingdienst, willen wij de coöperatie nog niet aanbevelen bij de prostituees.”

De woordvoerster van wethouder Eric van der Burg, opvolger van Vos, laat weten dat uitstel geen afstel betekent: „We zijn nog steeds aan het kijken wat de coöperatie voor de stad kan betekenen.” Amsterdam telt 5.000 tot 8.000 prostituees, van wie die achter de ‘ramen’ op de Wallen het meest zichtbaar zijn. Fick hoopt de komende tijd leden te werven onder de raamprostituees.

Prostitué Bas werkt achter een raam in Den Haag en is lid van de coöperatie. Het bevalt hem goed om in loondienst te zijn: „Dan hoef ik al die administratie voor de belasting niet zelf te doen.” Maar Bas heeft wel gemerkt dat de fiscus de coöperatie niet ziet zitten: „Een keer kwamen twee inspecteurs ’s avonds langs, toen ik aan het werk was. Ik werd ondervraagd, terwijl ik een klant had. Ze zeiden dat ze tegen de coöperatie waren. Ik vond het intimiderend.”

Dit geval staat niet op zichzelf, zegt Fick. Ze toont enkele getuigenverklaringen van vrouwen die ’s avonds laat in een club door inspecteurs met 60 tot 70 vragen werden lastig gevallen. „De Belastingdienst mag alleen vragen om de naam en de legitimatie. Voor nadere vragen kan gewoon een afspraak met onze werknemer worden gemaakt. In Nederland wordt niemand op zijn werk op deze wijze door de fiscus benaderd.”

De Belastingdienst laat weten dat inspecteurs wel het recht hebben om de prostituees ter plaatse vragen te stellen.

De Belastingdienst zou ook moeilijk doen tegen clubs waar vrouwen van de coöperatie werken. „Ik heb een naheffing van meer dan anderhalf miljoen euro”, zegt een exploitant van een kamerverhuurbedrijf, die niet met zijn naam in de krant wil. „De belastingdienst vindt dat ze bij mij in dienst zijn.” Volgens hem wordt alles gebruikt om dat te bewijzen. „Er is een planningbord waarop vrouwen aangeven wanneer ze er zijn. De Belastingdienst maakt daar van dat ik hun werktijden regel.”

Waarom doet de exploitant niet gewoon mee aan het systeem van de Belastingdienst? „Omdat er in dit systeem toch een financiële relatie is tussen de exploitant en de prostituee.” Daar heeft hij principiële en praktische bezwaren tegen: „Een prostituee moet altijd helemaal zelfstandig zijn, want ze moet honderd procent kunnen beslissen over haar eigen lichaam. Verder wil ik niet verantwoordelijk zijn als een prostituee buiten mijn weten extra geld krijgt van een klant en dat niet opgeeft.”

Linda weet uit ervaring dat een exploitant die belasting afdraagt over haar omzet, geneigd is zich ermee te bemoeien. „Dan krijg je toch verzoeken om op een bepaalde tijd te beginnen, terwijl ik nu zelf mijn werktijden bepaal.”

Prostituees moeten in het systeem van de Belastingdienst bovendien zelf een verzekering afsluiten voor ziekte. Dat is duur en verzekeraars staan niet te trappelen bij sekswerkers. Het taboe op betaalde seks is in Nederland namelijk nog steeds groot. Daarom staat de naam van de coöperatie wel op de loonstrook, maar wordt die elders niet genoemd. „Als de naam overal bekend is, kunnen de werknemers misschien geen hypotheek meer afsluiten”, zegt Fick.

De Rode Draad, vakbond voor prostituees, kon deze zomer geen rekening openen voor het innen van de contributie. De Rabobank in Amsterdam voerde als reden aan, dat bij het geld van prostituees de herkomst niet is te achterhalen. „Ga maar eens kijken bij de geldautomaat van de Rabobank op de Wallen. Daar staan al die mannen geld te pinnen voor de naar de ramen gaan. Daar komt het geld vandaan”, zegt Metje Blaak van de Rode Draad.

Het gezondheidscentrum PG292 is in gesprek met een bank over de mogelijkheden om een rekening te openen. Van Huissteden: „We willen ook een financieel starterspakket maken voor zelfstandige ondernemers.”

En de coöperatie? „Als de coöperatie alles heeft afgetimmerd en geaccepteerd is door alle betrokken instanties, nemen wij die natuurlijk ook mee in de informatie over de verschillende werkwijzen in de prostitutie.”

Linda wil nooit meer iets anders dan de coöperatie. „Ik zeg altijd: ik heb maar één pooier en die staat op de parkeerplaats.” Ze wijst op een sportauto. „Als ik stop met dit werk, kan ik die auto niet meer rijden. Ik werk voor hem. Een andere pooier heb ik niet.”