Belastingruzie is hét struikelblok

In ruil voor leningen eisen de andere EU-landen dat Ierland zijn winstbelasting laat stijgen. „Dat is niet onderhandelbaar”, reageert de regering in Dublin.

Eurolanden willen Ierland geld lenen om de Ierse bankcrisis te smoren, vóór ze overslaat naar andere landen. Maar in ruil voor leningen eisen ze dat Ierland de belasting op bedrijven omhoog doet. Ierland weigert erover te praten – pertinent.

De Ierse tarieven, met 12,5 procent de laagste van Europa, zijn andere landen al jaren een doorn in het oog: zij zien multinationals uit hun land wegtrekken naar Dublin. Nu Ierland met de rug tegen de muur staat, zien zij de kans schoon daar eindelijk korte metten mee te maken. Maar belastingen, zei de Ierse minister voor Europese Zaken Dick Roche gisteren, zijn in Europa nog altijd een nationale bevoegdheid. „Dat is niet onderhandelbaar.” Deze belastingruzie is moeilijk op te lossen, want ze raakt de kern van de relatie tussen Ierland en de EU. Wat de uitkomst ook is, ze kan die verhouding blijvend veranderen.

Voor de Ieren symboliseert de lage winstbelasting het laatste beetje soevereiniteit dat ze nog denken te hebben. Andere EU-landen zeggen dat Europa niet kan functioneren als landen zo asociaal tegen elkaar doen. Een Europees diplomaat, die bevestigt dat dit momenteel hét struikelblok is in de onderhandelingen met Ierland over de leningen, zegt: „Wij zijn jaren belastinggeld misgelopen doordat multinationals naar Ierland gingen. En nu moeten wij Ierse banken overeind houden? Oké, maar dan moet het afgelopen zijn met die stunttarieven. Solidariteit moet van twee kanten komen.”

Toen Ierland in 1973 lid werd van de Europese Gemeenschap, voorloper van de EU, waren de tarieven al lager dan in andere lidstaten. Maar Ierland was straatarm. Europa was een los verband van staten. De interne markt stond in de kinderenschoenen, de gemeenschappelijke munt was een dromerig project van academici en een kleine politieke voorhoede. Veel bedrijven hadden niet één Europees hoofdkwartier, zoals nu, van waaruit op het hele continent zaken werden gedaan. Daarom was de kwestie geen breekpunt bij de Ierse toetreding.

Bij de Ierse transformatie tot powerhouse, die zich de laatste twintig jaar voltrok, werd het lage belastingtarief echter een belangrijk instrument. Het ene bedrijf naar het andere vestigde zich in Dublin en had van daaruit vrij toegang tot een steeds groter en grenzelozer EU. In de jaren negentig voerden EU-ministers van Financiën de druk op Ierland op. Maar Dublin verlaagde juist het tarief, naar de huidige 12,5 procent.

Sindsdien pusht de EU en blijft Ierland weerstand bieden. Frankrijk verhief Ierse belastingverhoging zelfs tot speerpunt van zijn EU-voorzitterschap in 2008. Maar door de kredietcrisis, later dat jaar, kwamen er de hen andere prioriteiten op. Bij verkiezingen zweren Ierse partijen altijd dat ze Brusselse belastingdictaten weerstaan. In 2008 wezen ze het Verdrag van Lissabon af, onder meer omdat zij garanties wilden over fiscale soevereiniteit. Die kregen ze en in 2009 stemden ze vóór.

Nu Ierland, net als andere lidstaten, nationale belangen voorrang geeft boven Europese, is belastingverhoging-op-last-van-Brussel politiek explosiever dan ooit. Dit verklaart waarom Europese politici er nauwelijks publiekelijk uitspraken over doen. Al kunnen ze ‘bewijzen’ dat belastingverhoging Dublin extra inkomsten gaat bezorgen. Zij willen de onderhandelingen hierover, die in volle gang zijn, achter de schermen voortzetten. Dat is de enige kans op slagen.

Maar de impopulaire premier Cowen wil een besluit over de datum van de (deel)verkiezingen van 25 november tillen. Hij wil die winnen, dus rekt hij tijd. De specialisten van ECB, Europese Commissie en IMF, die sinds gisteren de noden bij Ierse banken analyseren, vormen Cowens laatste strohalm. Zijn hoop is dat het IMF minder zwaar aan belastingverhoging tilt dan de Europese delegatie, en genoegen neemt met andere methodes om inkomsten te genereren.