'Verstoorde werksfeer strafrechters'

De verhoudingen tussen strafrechters en hun collega’s in de leiding zijn ernstig verstoord. De werksfeer is slecht en de omgangsvormen lijken de laatste jaren „rauwer en minder omfloerst” geworden. Door deze problemen loopt een hoog percentage strafzittingen vertraging op door gebrekkige organisatie. Ook hebben veel gerechten financiële tekorten en halen ze afspraken over de behandeling en de duur van strafzaken niet.

Dat schrijft raadsheer Rinus Otte in zijn boek De nieuwe kleren van de rechter, dat morgen uitkomt. Hij was jarenlang gerechtsbestuurder bij het hof Arnhem en fungeerde in een aantal hoven en rechtbanken als plaatsvervanger. Otte stelt vast dat strafrechters „grote attitudeproblemen” hebben. Ze zijn veeleisend en klagen veel. Ze overvragen de leiding, laten zich onbehoorlijk uit, zijn soms lui en gedragen zich als slachtoffers.

Rechters vertonen onprofessioneel gedrag, volgens Otte. Met name rond benoemingen lopen de emoties hoog op. Dit uit zich in e-mailcampagnes, anonieme brieven en roddel. Volgens hem is de „grondtoon van onderlinge vervreemding” in elk gerecht terug te vinden. Strafrechters klagen over gebrekkige faciliteiten, gebrek aan contact met de leiding, het bevoordelen of promoveren van collega’s, en over rechters die nooit aangesteld hadden mogen worden.

Otte, die volgende week in Groningen zijn oratie houdt als bijzonder hoogleraar organisatie van de rechtspleging, bepleit in zijn boek dat slecht functionerende rechters uit hun ambt worden verwijderd. Rechters worden voor het leven benoemd. Otte vindt dit „geen kwaliteitskeurmerk”. Doordat verslagen van evaluatiegesprekken met rechters geheim zijn voor het gerechtsbestuur, is het „vrijwel onmogelijk” rechters te corrigeren of te verwijderen. Otte ontkent dat er sprake is van een crisis in de rechtspraak. Maar hij spreekt wel van stagnatie en „verval”.

Een functie in het gerechtsbestuur is voor veel rechters een te grote opgave. Otte: „Ze zijn nog slechts beheerder van werkprocessen.” Hij noemt hen „brandblusser” of „dompteurs van onvrede”. De moeizame verhoudingen wijt hij aan de verambtelijking van het rechtersberoep.

Strafrechters zijn te afhankelijk geworden van gestandaardiseerde werkprocessen en hebben geen greep meer op de organisatie van het strafproces. Daardoor kunnen zij niet meer aan hun eigen professionele ambities en normen voldoen.

Niet te besturen en weinig zelfkritiek: pagina 4