Rel over indicator visstand wereldzeeën

Visserijbiologen gebruiken massaal de methode van Daniel Pauly om te bepalen hoe het staat met de overbevissing. Nu blijkt zijn methode weinig meer dan een slag in de lucht.

Sander Voormolen

Hoe overbevist de zee is, weten we eigenlijk niet. Want een veelgebruikte methode om de toestand van de biodiversiteit in zee te bepalen, blijkt in de helft van de gevallen een verkeerd beeld van de werkelijkheid te geven. Dat concludeert een team van internationale visserijwetenschappers onder leiding van de Amerikaan Trevor Branch van de University of Washington vandaag in Nature.

De gewraakte methode is gebaseerd op de soortensamenstelling van de commerciële visvangst. Van de vangst wordt het gemiddelde niveau in de voedselketen (Engels: mean trophic level, MTL) bepaald. Dieren aan de top van de voedselketen zoals haaien, tonijnen en heilbotten scoren een waarde van rond de 4 en garnalen en schelpdieren onderaan de voedselpiramide krijgen waarde 1.

Als het gemiddelde cijfer van een sleepnetvangst in een bepaald gebied in de loop van de jaren daalt, is dat een teken dat de zee wordt leeggevist, betoogde de vooraanstaande visserijbioloog Daniel Pauly in 1998 in een klassiek geworden artikel in Science. Pauly waarschuwde dat vissers eerst de grote vissen als tonijn en kabeljauw uit de top van de voedselketen vissen en dan ‘afdalen’ naar vissoorten lager in de voedselketen. Op den duur zou dit leiden tot zeeën waarin alleen nog kwallen en plankton leven.

Maar het nieuwe onderzoek van Branch toont aan dat wereldwijd steeds meer vis op alle niveaus in de voedselketen worden gevangen. Als dat gebeurt, blijft het MTL van het ecosysteem hetzelfde, zelfs als het totale systeem overbevist raakt. De MTL kan zelfs stijgen als de overbevissing plaatsvindt onderaan de voedselketen, en de valse indruk wekken dat een ecosysteem gezond is, zo laat Branch zien.

„Het simplisme van Pauly blijkt in de praktijk helaas wat ingewikkelder in elkaar te zitten”, reageert de Nederlandse visserijwetenschapper Adriaan Rijnsdorp van de Wageningen Universiteit. Pauly kreeg aan die universiteit twee jaar geleden nog een eredoctoraat. Rijnsdorp noemt de publicaties van Pauly nu „kort door de bocht”. Maar met zijn „grove analyse” heeft hij wel wereldwijd aandacht weten te trekken voor de overbevissingsproblematiek. Het artikel uit Nature is inmiddels meer dan 1.720 keer geciteerd.

De onderzoeksgemeenschap had niet direct een antwoord klaar, zegt Rijnsdorp. „Vanaf het begin heeft hij kritiek gekregen, maar het kostte nogal wat tijd om zijn eenvoudige beweringen aan een gedegen kritische analyse te onderwerpen.”

Branch en zijn team hebben dat nu gedaan door visserijgegevens uit de hele wereld in één grote databank te stoppen. Ze combineerden de resultaten van sleepnetonderzoeken uit 25 ecosystemen van over de hele wereld met de gegevens van de populatiegrootte van 242 verschillende vissoorten in die ecosystemen. Niet eerder werden zoveel verschillende visserijgegevens met elkaar vergeleken.

In de Noordzee, een van de best bestudeerde mariene ecosystemen ter wereld, kijken onderzoekers als Rijnsdorp niet zozeer naar de MTL maar naar de hoeveelheid grote vis. „Het voorkomen van grote soorten en grote exemplaren van een soort, is een veel directere indicatie van de intensiteit van de visserij”, aldus Rijnsdorp. Overbevissing leidt al gauw tot ondermaatse vis. Volgens de Nederlandse visserijbioloog is het tegelijkertijd vissen op verschillende niveaus in de voedselketen overigens de duurzaamste manier van vissen. „Zo krijg je de minste verstoring in het ecosysteem.”

Daarentegen leidt het alleen aan de bovenkant van de voedselketen bevissen tot „allerlei onvoorspelbare domino-effecten in het ecosysteem”, zegt Rijnsdorp. „De gedachte is dat het ecosysteem dan gevoeliger wordt voor het binnendringen van soorten die er van nature niet thuishoren. Het zal van jaar tot jaar variabeler worden en sterker reageren op invloeden vanuit de omgeving, bijvoorbeeld temperatuurschommelingen.”