Podiumkunst bepaalt de huizenprijzen

Voor steden is de waarde van cultuur goed te bepalen: meer cultuur betekent meer bedrijvigheid en dure huizen. Schrap dat niet, zegt Gerard Marlet.

De cultuursector schreeuwt om subsidie, maar Nederland roept de cultuursector ter verantwoording. Waarom zou de belastingbetaler jaarlijks geld blijven steken in kunst en cultuur, terwijl hij dagelijks ziet dat er urgente problemen zijn in de verzorgingshuizen, het onderwijs en de zorg?

Aan kunst en cultuur worden de meest exotische effecten toegeschreven. Mensen die met kunst en cultuur in aanraking komen, zouden beter presteren op school en op het werk. Ze zouden gezonder zijn, en minder crimineel. Ze zouden zelfs voor meer cohesie in de wijken zorgen. Overtuigend bewijs voor de meeste van die effecten ontbreekt echter.

Wat wel is aangetoond, is het belang van cultuur voor de stad. Na een lange periode waarin mensen massaal de stad verlieten, gaat het sinds de jaren negentig weer goed met de Nederlandse stad. Het rijke culturele aanbod heeft zeker bijgedragen aan die revitalisering.

Vroeger gingen mensen om de fabrieken wonen. Ofwel: wonen volgde werken. Die tijd is voorbij. Door opeenvolgende revoluties in transport en communicatie is het mogelijk om steeds verder van huis te werken. Dat betekent omgekeerd ook dat het steeds gemakkelijker is om een woonplaats te kiezen die verder weg ligt van het werk, op een plek in het land van waaruit zo veel mogelijk banen binnen acceptabele tijd te bereiken zijn; de huidige baan, de huidige baan van de partner, de toekomstige baan, de toekomstige baan van de partner, etcetera.

Omdat voor de woonplaatskeuze de plaats van het werk vaak niet meer doorslaggevend is, kunnen andere factoren een rol spelen. Voor sommige mensen betekent dit dat ze een zo groot mogelijk huis in een zo groen mogelijke omgeving willen. Anderen wonen liever in een stad. Veel is via internet en over grote afstand te verkrijgen, maar niet de esthetiek en beleving van een binnenstad. Daarom spelen kunst en cultuur een prominente rol in de aantrekkingskracht van steden.

Steden met een groot en gevarieerd aanbod aan kunst en cultuur zijn de populaire woonsteden. Het zijn over het algemeen steden waar veel te kiezen valt. Waar mensen ’s avonds spontaan terechtkunnen in een van de vele theaters, concertgebouwen, poppodia en jazzcafés, zonder daarvoor al maanden van tevoren een kaartje te hoeven kopen. Het zijn de zogenoemde walking cities; steden waarvan de inwoners op loop- of fietsafstand van hun huis een gevarieerd aanbod kunnen bereiken aan cultuur, horeca en andere voorzieningen in een historische, esthetische binnenstad. Voorbeelden: Amsterdam, Groningen, Maastricht, Utrecht en Den Bosch.

Steden met veel cultuur hebben niet alleen de grootste aantrekkingskracht op verhuizende huishoudens, ze doen het ook economisch beter. Werken volgt wonen: de ondernemer heeft het niet langer voor het zeggen in de vestigingsbeslissing. Dat is steeds vaker de werknemer. Waar creatieve en productieve mensen graag willen wonen, vestigen zich nieuwe bedrijven, groeien bestaande bedrijven en worden meer nieuwe bedrijven gestart. Een voorbeeld is de reclamebranche. De creatieve geesten in deze bedrijfstak willen graag in Amsterdam wonen, vanwege het culturele klimaat. Reclamebureaus vestigen zich vervolgens ook in Amsterdam, omdat daar hun werknemers wonen.

Kunst en cultuur in de stad zijn dus niet alleen goed voor de concurrentiepositie van een stad in de strijd om het aantrekken van kansrijke bevolkingsgroepen, maar indirect ook voor de lokale economie.

Het belang van cultuur voor de stad wordt waarschijnlijk alleen maar groter. De Nederlandse bevolkingsgroei stagneert. Sommigen zien zelfs het spook van bevolkingskrimp opdoemen. De woonconsument krijgt meer keuze. Nu al krimpen enkele steden in de periferie van het land, maar ook new towns in de Randstad als Spijkenisse verliezen bevolking. Zelfs Almere moet zich op termijn zorgen maken. Dat zijn niet toevallig allemaal steden met een relatief gering cultureel aanbod.

Oscar Wilde schreef het al: „All art is quite useless, the only excuse for making a useless thing is that one admires it intensely”. Wie graag in een stad woont, vindt het belangrijk om een gevarieerd cultureel aanbod in zijn woonomgeving aan te treffen. Die waardering voor cultuur in de stad uit zich in een grotere vraag naar, en hogere prijzen van, de woningen in de aantrekkelijke steden. Langs die weg is de maatschappelijke waarde van het culturele aanbod in een stad te bepalen.

De maatschappelijke waarde van het totale aanbod aan podiumkunsten in Nederland bedraagt zo’n dertig miljard euro. De Amsterdamse bevolking waardeert een gemiddeld podium in die stad op vijf miljoen euro per jaar. Datzelfde podium vindt maar eenvijfde deel van die waardering terug in de kassa. Zonder subsidie of andere financieringsbronnen zou het culturele aanbod dus ver onder het maatschappelijke optimum liggen.

Vooral mensen met een hogere opleiding kennen veel waarde toe aan het grote en diverse culturele aanbod in die steden. Is cultuur dan toch een speeltje van die elite? Wordt hun slechts een hobby afgepakt? Nee. De baten van cultuur zouden voor een deel juist moeten belanden bij mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Steden met een groot cultureel aanbod bieden ook meer werk. Veel van die banen bevinden zich in de verzorgende sectoren, zoals horeca en detailhandel. Daarvan profiteren juist ook mensen met een lagere opleiding.

De cultuursector is er niet in geslaagd om dat aan de belastingbetaler uit te leggen. Als er één sector in Nederland is die minachting voor die belastingbetaler heeft getoond, is het de cultuursector wel. Verantwoording afleggen over het geschonken belastinggeld? Nee hoor, het is l’art pour l’art, en daar horen buitenstaanders zich niet mee te bemoeien. De cultuursector wordt nu afgestraft voor die arrogante houding.

Desondanks is een Grote Afrekening onverstandig. Het risico bestaat dat met de bezuinigingen op cultuur het hart uit de Nederlandse steden wordt gesneden. Dat zal ons land op termijn veel meer schade berokkenen dan de besparing op de cultuurbegroting oplevert.

Gerard Marlet is directeur van onderzoeksinstituut Atlas voor gemeenten, en auteur van Muziek in de stad en De aantrekkelijke stad.