Oorlogshelden zijn een last geworden

Van het beetje geld in Bosnië, gaat veel naar oorlogsveteranen. Intussen worden snelwegen niet gebouwd. Vijftien jaar na de oorlog vormen de veteranen een rem op de vooruitgang.

Police and protesters clash during a protest in Sarajevo April 21, 2010. Police fired tear gas and water cannon on Wednesday in a clash with thousands of veterans of Bosnia's 1992-95 war protesting at benefit cuts in the most violent protest in years in the troubled Balkan country. REUTERS/Danilo Krstanovic (BOSNIA AND HERZEGOVINA - Tags: POLITICS CIVIL UNREST EMPLOYMENT BUSINESS IMAGES OF THE DAY) ) REUTERS

In de Bosnische hoofdstad Sarajevo rijden auto’s met invalidenstickers af en aan voor het begin van een vergadering van koepels van veteranenorganisaties. Een groep veertigers en vijftigers zuigt nog snel aan een sigaret voor de ingang van het Huis van het Leger, in het centrum van de stad, waar zo een verhitte bijeenkomst begint.

De regering heeft bezuinigingen aangekondigd op de uitkeringen aan veteranen. Een gevoelig thema, want in Bosnië maken veteranen een groot deel uit van de mannelijke bevolking (volgens ruwe, onofficiële schattingen ruim 20 procent). In april liep een protest uit op gevechten en brandstichting bij het parlement. Er vielen zestig gewonden. „We zijn geen gewone begrotingspost, het gaat om compensatie voor ons leed”, zegt een spreker. „We moeten vechten voor onze verworven rechten.”

Deze week is het vijftien jaar geleden dat er einde kwam aan de oorlog in Bosnië. Het vechten stopte, huizen zijn herbouwd en kinderen werden geboren. Buitenlandse vredestroepen verdwenen uit het straatbeeld. Maar de oorlog blijft het leven beheersen. Wantrouwen tussen de etnische groepen en onwil bij hun politieke vertegenwoordigers om het voortouw te nemen bij verzoening belemmeren de vooruitgang. Het land raakt achterop bij buurlanden, die ook bij de EU willen, waarschuwt Valentin Inzko, de machtigste internationale ambtenaar in Bosnië.

De begroting weerspiegelt hoezwaar het recente verleden rust op de toekomst van Bosnië – en hoe dat voor een belangrijk deel te maken heeft met de veteranen. Het kleine beetje geld dat er is, wordt nog steeds verdeeld op basis van in de oorlog verworven rechten. In 2008 ging ruim 3 procent van het bruto binnenlands product volgens de Wereldbank naar veteranen, oorlogsinvaliden en nabestaanden. Het gaat daarbij om een geldstroom naast de werkloosheidsuitkeringen en pensioenen, die voor veteranen hoger zijn dan voor gewone burgers. Intussen ligt in het land nog altijd geen snelweg tussen de grootste steden.

Veel veteranen slijten hun dagen met vergaderen, ‘politiek’, het besturen van hun verenigingen en klussen in de grijze economie. Niet met activiteiten die economisch iets toevoegen aan het land, dat na de oorlog opnieuw moest worden opgebouwd. Hoogopgeleid jongeren vinden gemakkelijker een baan dan – vaak getraumatiseerde – oud-militairen die voor de oorlog in staatsbedrijven werkten die nu niet meer bestaan.

De problematiek kon jaren voortduren. Een deel van de mannen die tussen 1992 en 1995 vochten om Bosnië los te maken uit Joegoslavië ging de politiek in en heeft vooral goed voor zichzelf en zijn achterban gezorgd. Niet wie een uitkering het hardst nodig heeft krijgt geld van de staat, maar de ex-strijder met de grootste mond en de beste contacten.

In de jaren na de oorlog vormden met name in het moslim-Kroatische deel van het land de gedemobiliseerde militairen een onaantastbare en invloedrijke groep. Tijdens verkiezingscampagnes werden extra voordelen beloofd aan ex-strijders en nabestaanden van gesneuvelden. Dat was een mooi vaderlandslievend gebaar en een effectieve manier om stemmen te trekken. Nog tijdens de campagne in 2006 besloten de politieke partijen om de uitgaven aan veteranen en hun nabestaanden te verdubbelen.

Die wet wordt door geldgebrek in de praktijk echter niet meer uitgevoerd. De economische crisis heeft bepaald dat de oorlog vijftien jaar na de oorlog voorbij moet zijn. De economische groei van gemiddeld 6 procent per jaar tussen 2003 en 2008 sloeg in 2009 om in krimp van 3,4 procent. Er zijn weinig donoren meer die Bosnië willen subsidiëren en weinig buitenlandse militairen die met hun uitgaven en de inhuur van lokaal personeel de economie stimuleren.

Net als de andere staten die uit Joegoslavië zijn voortgekomen zal het door burgeroorlog verminkte land moeten veranderen in een gewone Europese staat met een sluitende begroting. Het land kan zich niet veroorloven een complete generatie veertigers en vijftigers af te schrijven met uitkeringen, maar zonder baan of stimulans.

Het IMF heeft in 2009 ongeveer 1 miljard euro beschikbaar gesteld, maar eist in ruil daarvoor hervormingen. Veel invaliden zullen bijvoorbeeld moeten worden herkeurd. Er is onder internationale diplomaten weinig geduld meer met dralende bestuurders en weinig sympathie voor mensen die zich op hun vermeende verdiensten tijdens de oorlog blijven beroepen en tegelijk de voortgang in het land tegenhouden. De economische crisis, de Wereldbank en het IMF dwingen de regering dat onder ogen te zien.

De sprekers op de veteranenvergadering in Sarajevo doen om beurten verslag van vruchteloze ontmoetingen met ambtenaren sinds het laatste protest. Marionetten van de Wereldbank, vinden ze. „De regering zegt dat er een veteranenprobleem is, terwijl het eigenlijke probleem de omvang van het geldverkwistende ambtenarenapparaat is.”

De oorlog had een voordeel, vertellen veteranen in individuele gesprekken: toen voelden ze zich nuttig. Nu vaker een last voor het land dat verder moet.