Nederlands vertrek uit Uruzgan niet opgemerkt

Internationale militairen en politiemensen hebben Afghanistan niet veiliger gemaakt. Integendeel, vinden Willem van de Put en Stefan van Laar.

De argumenten voor een miljoenen kostende politietrainingsmissie in Afghanistan die nu wordt overwogen, zijn ondeugdelijk en wijzen uitsluitend op Nederlands belang.

In de afgelopen jaren is de internationale militaire en politionele aanwezigheid niet geslaagd in het verhogen van de veiligheid van Afghaanse burgers, die nu in overgrote meerderheid meer waarde hechten aan de bescherming van lokale Afghaanse heersers.

Er is geen uitzicht op een regering die een door de bevolking geaccepteerd mandaat heeft om het nationale geweldsmonopolie te bezitten. Politiemensen zijn in dienst van commandanten die in belang niet verschillen van andere warlords – vaak misdadigers – in het conflict.

De trainingsplannen zijn onvoldoende (in zes weken levert niemand een gedegen politiefunctionaris af) en maken deel uit van een door de Amerikanen geleide strategie om Afghanistan te verlaten.

Het moet op basis van alle rapporten en onderzoeken nu eindelijk eens hardop worden gezegd: de internationale militaire en politionele aanwezigheid is al acht jaar lang deel van het probleem en niet van de oplossing. Het is daarom een gotspe dat Nederlandse politici nu praten over een nieuwe missie, terwijl niet wordt begrepen wat aangericht is met de vorige.

Dat een dergelijke missie ten koste zal gaan van Afghanen, wordt verzwegen. Ook het Nederlandse belang wordt merkwaardig gediend: toen Ivo Daalder, de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO, onlangs de druk dacht op te voeren door te roepen dat „zelfs Tonga” meedoet, impliceerde hij dat Nederland internationale status verliest en daarom bijvoorbeeld niet mocht aanschuiven bij de G20-top in Seoul. Dat op die manier een directe relatie zou bestaan, getuigt van een inzicht in internationale politiek dat de jongenskamers van De Hoop Scheffer en Verhagen nog niet is ontstegen. Misschien is Tonga inderdaad een goed voorbeeld: die overheid heeft vooraf onderhandeld en de 55 Tongaanse soldaten die binnenkort in de provincie Helmand arriveren, ontvangen een extra bijdrage in Engelse ponden boven op hun salaris. Nederlandse politici vertrouwen op de goodwill van de Amerikanen en willen eerst bijdragen en later kijken of er iets terugkomt. Erger dan deze braafheid is dat we de Afghaanse burger de prijs voor deze gok laten betalen.

Defensie moet inkrimpen en bij Ontwikkelingssamenwerking vallen forse klappen. Als we zouden meegaan in de argumentatie dat Nederland internationaal weer op de kaart komt te staan door de betrokkenheid bij Afghanistan te continueren, is het dan vreemd om de goedkopere en veiligere weg van de civiele betrokkenheid bij het land te volgen?

De goedkoopste optie is immers de stimulering van het werk van hulporganisaties, die – ongewapend en met Afghaanse medewerkers – gewoon doorwerken in het land. Van het vertrek van de Nederlandse militairen uit Uruzgan hebben we niets gemerkt. Ook van de komst van politietrainers met daaromheen een factor vijf aan beschermend militair personeel zullen wij waarschijnlijk niets merken. De Afghaanse burger ondervindt echter wel de gevolgen, en die zijn negatief.

Een voorbeeld: tegen de achtergrond van stijgend geweld, onveiligheid en onbehagen met de Afghaanse regering en militaire aanwezigheid van de VS en de NAVO neemt ook het algemene verzet toe tegen de ontwikkeling van vrouwenrechten. De genderstrategieën van Westerse donoren en ngo’s worden inmiddels ook door vrouwen zelf gezien als onderdeel van een agressieve westerse agenda, die erop uit is de Afghaanse cultuur te vernietigen. In die context worden vrouwen weer vaker doelwit van bedreigingen en aanvallen vanwege hun vermeende samenwerking met westerse belangen. De inbreng van meer slecht opgeleide politieagenten heeft ook hier een contraproductief effect.

Willem van de Put is algemeen directeur en Stefan van Laar is adviseur bij hulporganisatie HealthNet TPO.