Microkosmos van de Indonesische realiteit

Gisteravond opende de documentaire Stand van de sterren van Leonard Retel Helmrich het IDFA. De filmer leefde veertien maanden dicht op de huid van een Javaanse familie.

Coen van Zwol

De camera zit als een poes op schoot. Soms zet de filmmaker hem even op de grond en aait hem liefkozend. Dan pakt hij de camera weer op danst er soepel mee door zijn werkkamer om te laten zien hoe je een spannende overgang van koffiemok naar journalist filmt.

Leonard Retel Helmrich (51) is gek op zijn camera, en dat zie je. Gisteravond opende zijn documentaire Stand van de sterren het IDFA. De film is het sluitstuk van een betoverend drieluik dat in 2001 begon met Stand van de zon. Deel twee Stand van de maan won drie jaar later het IDFA en het Amerikaanse Sundance-festival.

Voor Stand van de sterren leefde Helmrich weer veertien maanden dicht op de huid van de Javaanse familie Sjamsudin, die in Jakarta in de sloppenwijk Galur het hoofd boven water scharrelt. In 1997 trok Helmrich naar Indonesië om de studentenopstand tegen Soeharto te filmen. Ter plekke zag hij dat hij niet de enige was en besloot hij dat zijn fixer Bakti en diens christelijke familie interessanter waren: een microkosmos waarin zich de Indonesische realiteit weerspiegelt. Oma als het oude Indonesië, zoon Bakti als het heden, kleindochter Tari als de toekomst.

Een sombere toekomst, zou je na Stand van de sterren denken. Tari, in 2004 nog een schrander en lief meisje, blijkt als 17-jarige een verwend nest dat van haar arme oma een mobieltje met camera los zeurt en een scène trapt als de familie per paard en wagen in plaats van taxi naar haar diploma-uitreiking wil. Wat een afgang, hoe halen ze het in hun hoofd? Retel Helmrich: „Zoals Tari met ouderen omgaat: schokkend grof. Haar vriendinnen zijn net zo.” Oom Bakti, bij wie Tari inwoont, bekeerde zich eerder opportunistisch tot de islam: nu blijkt hij een non-valeur en een scharrelaar die leeft voor zijn vechtvissen. Totdat zijn echtgenote, die een warung drijft, ze in een vlaag van woede in de wok frituurt tot vissenomelet.

Intuïtief en associatief gemonteerd, is Stand van de sterren publieksvriendelijker, want verhalender dan eerdere delen. Door het focus op psychodrama binnen de familie Samsjudin verliest de film aan urgentie, maar het verhaal is wel een parelketting van droefkomische observaties. Zoals dat nieuwe gastoestel dat levensgevaarlijk blijkt te zijn. Even later zien we oma dat gasstel cadeau doen in haar geboortedorp: boeren nemen immers met weinig genoegen.

Visueel is Stand van de sterren de overtreffende trap. Neem het eerste shot: een sterrenhemel, zo lijkt het. Maar dan wentelt de camera omhoog en blijken de sterren dauwdruppels op een rijstveld. In één zo’n dauwdruppel weerspiegelt zich een gif spuitende boer, insecticide verspreidt zich als een melkwitte waas door de druppel. Retel Helmrich: „In dat soort shot zie je hoe macro en micro op elkaar ingrijpen of elkaar weerspiegelen als fractals.”

Retel Helmrich is trots op zijn vermogen een vlieg op de muur te zijn, met name als de emoties hoog oplopen. Omdat hij zijn camera vaak vanaf zijn schoot bedient, vergeten mensen dat hij filmt. Zijn standpunt is laag of hoog, maar zelden op ooghoogte. De camera moet niet het oog van de toeschouwer zijn, vindt hij. „Filmen op ooghoogte herinnert aan de aanwezigheid van de cameraman. Daarom maak ik ook nooit een snelle panshot (een zijdelingse camerabeweging) en camoufleer ik zorgvuldig mijn voetstappen.” In zijn ‘one shot cinema’ staat niet belichting of standpunt, maar camerabeweging centraal. Helmrich excelleert in vloeiende, zoekende bewegingen, zijn camera glijdt bijna spookachtig door de wereld. Soms kijk je vanaf een minaret over Jakarta uit, dan weer vlucht je met de ratten en kakkerlakken voor de ongediertebestrijding.

Toch lukte het ook ook Retel Helmrich niet werkelijk een vlieg op de muur te zijn. Zijn langdurige aanwezigheid - dertien jaar, met tussenpozen – veranderde de familie Sjamsudin grondig. Voor oom Bakti was hij een bron van inkomsten, dochter Tari werd mede door hem zo’n onuitstaanbaar nest, vreest hij. Retel Helmrich betaalde een goede middelbare school met prijzengeld van het IDFA, met als nare bijwerking dat Tari omging met kinderen uit de middenklasse en op haar sloppenwijk ging neerkijken. Retel Helmrich: „Had ik een goede universiteit voor Tari geregeld, wil ze per se naar de dure, veel mindere London School omdat daar een soapserie speelt.”

Toch is Tari’s nuffigheid ook geruststellend. Zagen we in eerdere delen een labiel Jakarta tijdens de democratisering en de radicaliserende islam, ditmaal draait het om sociale stijging, centjes verdienen, consolidatie. Na de heftige politiek en religie zijn we in de alledaagse economie beland. Maar Retel Helmrich zelf is even klaar met zijn Sjamsudins. Misschien dat hij – zoals George Sluizer op dit IDFA met Homeland – later terugkeert om de eindbalans op te maken.