'Lang vond de politie de pers maar lastig'

Oud-commissaris Joop van Riessen bekijkt de expositie ‘Pers en Politie in Amsterdam’ en vertelt hoe de twee elkaar altijd al in de weg zaten.

Naast een brandende barricade houdt een actievoerder met een politiepet de Nederlandse vlag omhoog, terwijl in de menigte tientallen hun mond afdekken. Oud-politieman Joop van Riessen kijkt naar de foto van de kroningsrellen in Amsterdam, op Koninginnedag in 1980: „Het is een wonder dat er die dag geen doden zijn gevallen.”

De krakers hadden tijdens de protesten tegen de kroning van Beatrix een eigen radiozender, een stoorzender en aanhangers bij de omroep VARA en Radio Stad. Zouden deze journalisten medeverantwoordelijk zijn geweest voor eventuele doden? „Nee, natuurlijk niet”, zegt Van Riessen: „Maar ik heb nooit begrepen dat we als politie niet de opdracht hebben gekregen om die radiostations te sluiten. Want wat de radioverslaggevers deden was gewoon opruiing.”

De vaak gespannen verhouding tussen de lange arme van de wet en de media is het thema van de tentoonstelling Pers & Politie in Amsterdam, die vanavond wordt geopend in het Stadsarchief van Amsterdam. Van Riessen, ging in 2004 als pension als plaatsvervangend hoofdcommissaris na een loopbaan van veertig jaar in het Amsterdamse korps, krijgt op verzoek van deze krant vast een rondleiding.

Het materaal uit de archieven van het Persmuseum, het Politiemuseum en het Stadsarchief is rijk: krantenknipsels, spotprenten, pamfletten, politiedossiers en forensisch materiaal. Dat laatste spreekt het meest tot de verbeelding. Zo zijn er vingers op sterk water, afkomstig van een moordslachtoffer. Van Ledden Hulsebosch (1877-1952), grondlegger van het technisch onderzoek, vroeg om ‘vingers’, vingerafdrukken, waarop de plaatselijke politie de vingers van het lijk afsneed en opstuurde.

Van Ledden Hulsebosch gold bij het grote publiek als ‘allesweter’ en de ‘Sherlock Holmes van Amsterdam’, bijnamen die door de kranten werden gemunt. Zo zag de politie zichzelf graag terug in de media, die ook geregeld werden gebruikt om opsporingstips te vragen aan het publiek. Toen in 1965 een verminkt lijk werd gevonden in een koffer, werden foto’s van de kledingstof verspreid in de kranten. De stalen stof van de nooit opgeloste ‘Japanse koffermoord’ zijn te zien.

De politie zag de journalisten daarentegen ook als hinderlijke pottenkijkers. „Lang vond de politie het publiek en dus de pers maar lastig”, vertelt Van Riessen: „In de jaren negentig kwam de omslag. ‘Veiligheid organiseren is veiligheid communiceren’, vonden wij. De misdaadcijfers kunnen wel dalen, maar als de media steeds weer schrijven over toenemende misdaad lijkt het toch of de politie zijn werk niet goed doet.”

Toen Van Riessen in 1965 als agent begon in de Amsterdamse binnenstad, werd hij meteen op de proef gesteld door de provobeweging. „Tot die tijd gingen burgers weg als we dat vroegen. De provo’s deden dat niet”, vertelt Van Riessen: „We wisten ons geen raad met provo. Provo’s waren geen criminelen, ze waren niet gewelddadig. vernielden niets, maar zetten het gezag voortdurend voor gek.”

Van Riessen wijst op een foto waarop agenten een man inrekenen die op weg is naar een stel fietsen. „Dat beeld zegt eigenlijk alles over die tijd.” Na de rellen op de trouwdag van koningin Beatrix en prins Claus in 1966, openden activisten een expositie waarin het harde politieoptreden werd gehekeld. Maar die opening zelf leidde tot nieuw hard politieoptreden:„Wij moesten het Spui schoonvegen. Een man wilde zijn fiets pakken en wij arresteerden hem. Achteraf kun je zeggen dat de politie amateuristisch was.”

Elke keer als de politie ingreep, kwam dat in de pers en groeide de provobeweging. De Amsterdamse politietop vroeg de kranten tevergeefs om niet meer over de rellen te schrijven: „Provo leerde ons dat gezag inhoud moet hebben, maar legde ook het fundament voor twintig jaar anarchie in Amsterdam.”

Die anarchie bereikte een hoogtepunt met de kroningsrellen. Beroemd werd de foto van een agent die met een bebloed gezicht op zijn paard zit. „Hangt die hier niet?”, vraagt Van Riessen. Wel is er het rode affiche met prinses Beatrix bij een half gesloopt huizenblok. „Geen woning geen kroning”, leest Van Riessen hardop: „Hoe bedenk je het hè. Die krakers waren zo goed in het verzinnen van slagzinnen.” Dan zegt hij weer: „Er hadden makkelijk doden kunnen vallen.”

In de jaren twintig vielen bij het Palingoproer in de Jordaan wel doden. „Het was gewoon een spelletje, dat paling trekken, maar blijkbaar bedacht een of andere bestuurder dat het niet mocht”, zegt Van Riessen: „Dat is altijd mijn grootste angst geweest, voor een politiek doel te worden ingezet.”

Van Riessen denkt daarbij aan de tienduizenden illegalen die begin deze eeuw uit het land gezet dreigden te worden. „Als toen niet voor het generaal-pardon was gekozen, had de Amsterdamse politie een groot probleem gehad. Kranten schreven over de dreigende ‘deportatie’, een verwijzing naar het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog. Ik zag het al voor me, de politie die mensen uit hun huis haalde, met de fotografen erbovenop. Als de politiek toen tot uitzetting had besloten hadden wij niet meegewerkt.”