Je hebt warmere gevoelens

Onbewust nemen mensen metaforen over lichamelijke ervaringen vaak letterlijk.

De aanzet tot een theorie over denken met je lichaam.

A boy with his face decorated with thanaka paste smiles outside a school for children of migrant workers from Myanmar near Mae Sot in northwest Thailand October 15, 2010. Myanmar's long standing political crisis has forced millions of people across the border for a better and safer life. Some 140,000 refugees live in official camps along the Myanmar-Thailand border, according to the U.N. refugee agency, and there are concerns that hostilities in the hills of Eastern Myanmar could intensify as a result of a refusal of several ethnic political groups to take part in an election next month. REUTERS/Damir Sagolj (THAILAND - Tags: CIVIL UNREST POLITICS SOCIETY EDUCATION) REUTERS

Niemand brandt zich letterlijk aan een vurige minnaar, niemand heeft ooit écht een gebroken hart. Zelfs in de warmste relaties hebben mensen nog steeds een lichaamstemperatuur van 37 graden Celsius. En mensen kunnen met brandschone handen de grootste misdrijven plegen.

Waar komen zulke metaforen vandaan? Ze ontstaan in elk geval niet zomaar: onbewust blijken we ze vaak wel heel letterlijk te nemen. Onder psychologen is het de trend om grappige experimenten te doen waaruit dat blijkt.

Zo hebben ze aangetoond dat mensen voor een vreemde warmere gevoelens koesteren als ze toevallig een beker warme drank in hun hand hebben. Mensen leunen vaak een beetje naar voren als ze over de toekomst praten en achterover als het over het verleden gaat. Ze zijn geneigd zich moreel frisser te gedragen als de ruimte waarin ze zich bevinden fris naar schoonmaakmiddel ruikt. Mensen wassen ook graag hun handen nadat ze over morele overtredingen hebben nagedacht. En ze herkennen woorden die met god te maken hebben eerder als die bovenaan een computerscherm staan.

Er verschijnen tegenwoordig maandelijks, soms zelfs wekelijks, nieuwe onderzoeken naar embodied cognition, zoals zulke metaforen worden genoemd: denken met je lichaam. Maar louter het sparen van leuke nieuwe metaforen is eigenlijk niet genoeg meer. Het is tijd om „een leveltje dieper” te gaan, zoals sociaal psycholoog Sander Koole van de Vrije Universiteit in Amsterdam het formuleert. Tijd voor een echte theorie. Hoe ontstaan zulke metaforen precies? Wat gebeurt er dan in geest en lichaam? Samen met Hans IJzerman, die inmiddels ook aan de VU werkt maar vandaag nog in Utrecht promoveert op zijn metaforenonderzoek, schreef Koole er een theoretische beschouwing over die binnenkort wordt gepubliceerd in het tijdschrift Psychological Bulletin.

Het algemene idee is dat we abstracte ideeën, bijvoorbeeld ‘tijd’ of ‘emotionele pijn’, beschrijven in termen van concrete lichamelijke ervaringen (afstand, fysieke pijn) doordat die eerder in de evolutie ontstaan zijn. De nieuwere, mentale concepten liften daar als het ware op mee. Hoe dat meeliften precies werkt, weten we nog niet. Onderzoekers verschillen er over van mening. Volgens sommige psychologen bedenkt iedereen op een gegeven moment voor zichzelf, heel creatief, dat temperatuur, ‘warmte’ dus, ook wel een mooi begrip is om relaties mee te beschrijven.

IJzerman en Koole denken dat het anders zit. „Wij denken dat zo’n verband er al heel vroeg is”, zegt Koole. „Mensen leren vanaf hun geboorte de relatie tussen moederliefde en warmte. Wij zien zulke metaforen niet als software die in het brein draait, maar als onderdeel van onze hardware.”

Dat is dan weer een metafoor die psychologen graag gebruiken: die van het brein als computer. Het brein is dan de hardware, waarop op de een of andere manier onze gedachten zouden ‘draaien’. „Maar ironisch genoeg”, zegt Koole, „houdt die computermetafoor ons af van een dieper begrip van de werking van belichaamde metaforen.” Want die bedenken we op de een of andere manier met ons hele lijf: ze komen voort uit lichamelijke ervaringen die iedereen heeft. „Het is geen creatief verzonnen solistische poëzie”, zegt Koole. „En dat is ook handig: als niet iedereen zijn eigen metaforen zit te verzinnen, begrijp je elkaar beter, sneller en dieper.” Moeiteloos roepen IJzerman en Koole in hun artikel een nieuwe metafoor in het leven: scaffolding, een steigerconstructie van algemeen menselijke ervaringen die de bouw van belichaamde metaforen mogelijk maakt. En inperkt – want niet alles is mogelijk. Kou kan geen metafoor zijn voor een goede relatie.

De ‘steigers’ bestaan in hun visie niet alleen uit wat lichamelijk wordt meegemaakt, maar ook uit sociale en culturele ervaringen. In het Fins en in sommige Inuït-talen, schrijft IJzerman in zijn proefschrift, ontbreekt bijvoorbeeld de metafoor van warmte voor liefde en vriendschap. Dat komt, denkt hij, doordat temperatuur in extreem koude gebieden zo met overleving samenhangt, dat ze het woord daarvoor exclusief willen houden. ‘Warmte’ is te belangrijk om uit te lenen aan andere domeinen.

Er zijn tal van cultuurverschillen ontdekt. In een van zijn experimenten toonde IJzerman aan dat mannen in een latino-cultuur meer waarde hechten aan eergevoelens (de ‘puurheid’ van een vrouw, de reputatie van een man) als ze rechtop staan dan wanneer ze voorovergebogen staan. En dat mannen van Turkse en Arabische komaf rechterop gaan staan als ze net hebben gezegd dat een man best geweld mag gebruiken als iemand suggestief naar zijn vrouw kijkt. Autochtone Nederlandse mannen staan juist rechterop als ze net hebben gezegd dat geweld in zo’n situatie echt niet kan.

Soms lijken metaforen ook tamelijk willekeurig per cultuur te verschillen. Vorige maand werd nog een Amerikaans onderzoek gepubliceerd waaruit bleek dat de tijd voor sommige aboriginals niet van links naar rechts loopt, zoals bij ons, maar van oost naar west – net als de zon overdag. Bij deze mensen hangt het af van de windrichting waarin ze toevallig kijken of ze een tijdbalk van links naar rechts laten lopen of bijvoorbeeld van rechtsvoor naar linksachter. De woorden ‘links’ en ‘rechts’ gebruiken ze ook veel minder vaak dan wij.

En wij zien tijd als eendimensionaal, als iets wat langs een lijn loopt en ‘lang’ of ‘kort’ kan zijn. Maar er zijn ook talen, zoals het Grieks en het Spaans, waarin tijd meer als volume wordt begrepen. Als iets wat omvangrijk kan zijn of juist klein. Hoe zulke verschillen precies ontstaan zijn, is nog steeds onbekend – het kan ook toeval zijn.