Een kleedkamer vol kolkende emoties

Strafrechters zijn niet te besturen en doen nauwelijks aan zelfkritiek. Dat blijkt uit een boek van raadsheer Rinus Otte, over de cultuur binnen de rechterlijke macht.

de togakamer van de rechtbank in Amsterdam. 25 aug 2006. foto Maarten van Haaff

Over de rechterlijke macht wordt wel vaker iets kritisch gezegd. Maar het boek De nieuwe kleren van de rechter dat raadsheer Rinus Otte van het hof Arnhem morgen publiceert, is uniek in z’n openhartigheid en scherpte.

Strafrechters zitten elkaar en hun leidinggevenden vrij ongeremd dwars, schrijft Otte. Werkhouding en omgangsvormen zijn een probleem. Otte geeft een kijkje in de kleedkamer, als de toga’s zijn opgehangen. Niet te besturen, niet te controleren en heel weinig zelfkritiek, zo blijkt uit het boek. Dat verschijnt gelijktijdig met de benoeming van Otte tot hoogleraar organisatie van de rechtspleging in Groningen.

Toen Otte in het gerechtsbestuur van het hof Arnhem werd benoemd, hield hij kennismakingsgesprekken met 130 collega’s. Hij was ‘verbijsterd’ over de negativiteit en het ‘ongeluk’ dat hij tegenkwam en teleurgesteld over het gebrek aan ‘nijver en nederigheid’. De strafrechters die hij moest leiden, bleken weinig leiding te verdragen. Zij wilden met rust gelaten worden, waren veeleisend en klaagden veel, vooral over de werklast. Over gebrekkige faciliteiten, gebrek aan contact met de leiding, het bevoordelen of promoveren van collega’s, of over rechters die nooit aangesteld hadden mogen worden. Otte schrijft over strafrechters die de leiding overvragen, zich onbehoorlijk uitlaten, lui zijn of zich als slachtoffer gedragen. Hij baseert zich op ervaringen in meerdere gerechten.

Die gerechten worden met enige regelmaat bezocht door ‘visitatiecommissies’ uit Den Haag, die dan bijvoorbeeld rapporteren dat de besturen ‘weinig zicht hebben’ op wat zich in de sectoren afspeelt. En dus niet weten hoe het daar met de ‘ontwikkeling van de kwaliteitsaspecten staat’. De ‘feedbackcultuur’ staat overal wel op de agenda, maar is nog niet ‘uitontwikkeld’. ‘Dit geldt zeker voor de feedback op gedrag’, zo luidt dan het verhullende jargon.

In zijn boek maakt Otte duidelijk waar dat over gaat. Rechters besturen hun gerechten zelf, in een collegiaal bestuur waarin alleen de facilitair directeur geen rechter is. Dat bestuur beheert personeel, budget en organisatie. En maakt productieafspraken met de Raad voor de Rechtspraak, het zelfstandig bestuursorgaan van de rechters, in Den Haag.

Deze bestuurders blijven buiten de inhoud van de uitspraken en arresten van hun rechtbank of hof. Daarin is de voor het leven aangestelde rechter volstrekt soeverein. Alleen andere rechters (in hoger beroep of cassatie) controleren hem of haar. Maar rechters moeten wel een x-aantal zaken behandelen , net als de uitzendkracht in een conservenfabriek. En daar wringt het.

Ottes boek komt op een moment waarop het gezag en de persoon van de rechter ter discussie staan: PVV-leider Wilders laat geen gelegenheid onbenut om hen partijdigheid te verwijten. Strafrechters zouden bovendien te lage straffen opleggen. In het regeerakkoord zijn voor het eerste minimumstraffen vastgelegd. Ook de gerechtelijke dwalingen in de zaken rond Lucia de Berk en Ina Post hebben voor grote onrust gezorgd.

Nu schetst Otte, voor het eerst, de binnenkant van het gerecht. Rondom promoties kunnen de verhoudingen ernstig beschadigd raken. Hij spreekt van ‘bloedbaden’, ‘kolkende emoties’ en interne afrekeningen in de vorm van e-mailcampagnes en anonieme brieven. Rechters blijken intern grote invloed te hebben op de selectie en benoeming van leidinggevenden of sollicitanten. Benoemingen van buiten het eigen gerecht of eigen regio worden vaak geweerd. Daardoor is er geen kans op een ‘frisse wind’.

Volgens Otte moet de Raad voor de Rechtspraak scherper optreden tegen disfunctionerende rechters. Veel gerechtsbestuurders houden het volgens hem niet lang vol. Het is namelijk „niet eenvoudig om grote ego’s te managen”. Zeker niet als ze een zelfbeeld hebben dat niet strookt met de werkelijkheid. Wie toch bestuurder wordt kan zich beter instellen op langdurig ‘gemurmureer van rechters’. Hij meent dat veel rechters wel graag verantwoordelijkheid dragen, maar niet graag verantwoording afleggen. Veel bestuurders hebben echter een ‘te buigzame ruggegraat’. Ze streven ten onrechte gelijkwaardigheid na en corrigeren collega’s bij wangedrag niet.

Zelf hield hij het drie jaar vol in het bestuur van het hof. In zijn boek beschrijft hij ook welke fouten hij zelf maakte. Hij hield onvoldoende rekening met de bedrijfscultuur en drukte te veel oplossingen van bovenaf door. Hij meent dat het gerechtsbesturen ook aan realiteitsbesef ontbreekt. Veel besturen denken dat hun gerecht uniek is en proberen daarvoor extra financiering te krijgen.

Verslagen van functioneringsgesprekken met rechters bleken voor zijn gerechtsbestuur geheim te zijn. Alleen de direct leidinggevende, een sectie- of kamervoorzitter, mocht er kennis van nemen. Otte concludeert dat het corrigeren of verwijderen van een disfunctionerende rechter mede daardoor vrijwel onmogelijk is. Otte noemt de aanstelling voor het leven van rechters „geen kwaliteitskeurmerk” maar een handicap. Hij bepleit ‘disfunctionerende’ rechters eerder uit hun ambt te verwijderen.

Volgens hem hebben strafrechters moeite met kritiek op hun vaardigheden. Ze houden elkaar professioneel eigenlijk niet in de gaten, meent Otte. Tegelijk hebben ze „een veel te scherpe mening over elkaars functioneren, die we overigens niet uitspreken tegen elkaar”.

Strafrechters zouden te lijden onder de ‘verambtelijking’ van hun werk. De gerechten zijn steeds groter geworden en het werk werd gestandaardiseerd. Strafrechters zijn daardoor hun centrale plek in de organisatie kwijt. Van middelpunt zijn ze schakel in een keten geworden. Daardoor zijn ze zich ook afhankelijk gaan gedragen. Velen koesteren een romantische hang naar vroeger, toen de jaarlijkse ‘rechtersvergadering’ nog het belangrijkste inspraakorgaan was. Rechters hebben nu alleen inspraak als één van de geledingen binnen de ondernemingsraad. Strafrechters hebben te weinig greep op de organisatie van hun dagelijkse werk. Het strafproces wordt voor hen georganiseerd, niet door hen.

Tijdens zittingen gedragen strafrechters zich soms hautain of ‘niet luisterend’, zo begreep Otte van advocaten. Hij constateerde ook dat sommige gerechten ‘nogal wat trage rechters’ bevatten, die te vaak uitstel verlenen, zich in details verliezen en zo van zaken ‘appelmoes’ maken. En ze zouden bij het schrijven van het vonnis vaak ‘toereikend motiveren’ verwarren met ‘uitputtend motiveren’.

Zaterdag in de bijlage Wetenschap:een interview met raadsheer Rinus Otte