Die trap wordt moeder haar dood

Morgen verschijnt het boek Vinexvrouwen van Naima el Bezaz. De in 1974 in Meknes, Marokko, geboren schrijfster debuteerde in 1995 met De weg naar het noorden. Voorpublicatie uit Vinexvrouwen, haar zesde roman, waarin ze over haar depressie en leven schrijft.

Ik ben een Marokkaan in een vinexwijk. Een Marokkaan die het in de ogen van andere Marokkanen heeft gemaakt, omdat ik in een wijk woon vol blanke autochtonen. Maar die laatsten hadden wat bezorgd gekeken toen ze zagen dat er gekleurde mensen naast ze kwamen wonen. Gaan daardoor de huizenprijzen in de buurt omlaag? Ja, vooral nu het crisis is.

Meer allochtonen zoeken deze rustige, kindvriendelijke buurten. Wat zijn vinexwijken eigenlijk? Het zijn woonplekken met fantasieloze, razendsnel gebouwde huizen die gemaakt lijken van karton. Als de buurman tien deuren verderop boort, is het net alsof de tandarts met mijn verstandskies bezig is.

Ik woon in een groot huis, met veel trappen. Het is een zogenaamde drive-inwoning. Ik dacht dat mijn moeder nu wel trots op me zou zijn. Maar dat was wel naïef van me. Ze begreep er niets van. Normale mensen kopen een huis met een tuin en een huiskamer op de begane grond en dus niet met daar een garage en een studiekamer.

„Die trappen”, zegt ze. „Die trappen van jou worden mijn dood nog.”

Ik ben expres heel ver bij mijn familie vandaan gaan wonen, maar toch weten ze me steeds te vinden. Iedere keer krijg ik te horen dat ik een ander huis moet zoeken, of in ieder geval een lift in mijn woning moet installeren. Het is verdomme geen villa!

„Ik ben te oud voor die trappen”, blijft mijn moeder zeggen. „En je vader ook.”

„Laat mij erbuiten, ik heb niks tegen die trappen, ik moet van mijn dikke buik af”, zegt hij dan.

Mijn moeder kijkt hem daarop venijnig aan en zegt: „Wat weet jij hier nou van? Als ik zeg dat die trappen levensgevaarlijk zijn, dan zijn ze het ook. Begrepen?”

Mijn vader heeft nooit zin in ellenlange discussies die hij, net als al zijn kinderen, toch wel zal verliezen, dus buigt hij zijn hoofd en loopt naar de bank, om vanaf daar naar de enorme tv te kijken die ik heb gekocht met een lening van een inmiddels failliete kredietbank.

Mijn moeder heeft altijd een grote pan couscous bij zich, omdat ik volgens haar niet kan koken, en tassen vol met groenten, fruit en andere boodschappen die in de aanbieding waren. Want dat is haar levensmissie. Je moet namelijk alle reclamefolders bewaren en dan gericht kijken wat het goedkoopst is en waar. Ook al moet je daarvoor naar Friesland reizen. En dat is ver voor iemand uit Alphen aan den Rijn. Maar het gaat om het principe, begrijp je wel?

Als ik geld heb, ga ik naar Albert Heijn en koop ik allemaal dingen die nutteloos zijn, maar wel verschrikkelijk lekker. Ach, we gaan toch allemaal een keertje dood. Dat zeg ik om me niet schuldig te voelen, want de stem van mijn moeder is hoorbaar tot in het diepst van mijn wezen.

Overigens heeft mijn moeder me onlangs aangemeld bij een Jellinek-kliniek. Ik ben namelijk depressief, en daarom slik ik Prozac. Een gekkenmedicijn volgens haar, dus moet ik van haar afkicken.

Ik zei tegen haar: „Als je wilt dat ik van de Prozac af kom, dan wil ik wel naar die luxekliniek in Curaçao voor zeshonderd euro per dag. Handig, want dan ga ik van de Prozac over op de bolletjes. Daar kan ik ook nog wat aan verdienen.”

„Nee”, zegt ze. „Veel te duur. Die zeshonderd euro kun je ook aan familieleden in Marokko geven, die echt niks hebben.”

„O, je hebt dus zeshonderd euro en toch wil je me in een gewone afkickkliniek plaatsen zodat je familieleden, die ik helemaal niet ken, dat geld kunnen krijgen. Ben ik je nu zoveel waard?”

Mijn moeder zwijgt, kijkt me aan en schudt haar hoofd, kijkt dan naar mijn man en vraagt aan hem: „Hoe ben je in ’s hemelsnaam bij haar terechtgekomen? Je ziet toch dat ze niet helemaal spoort?” Ze kan blijkbaar nog steeds niet geloven dat ik getrouwd ben en twee kleine meisjes heb. Volgens mij dacht ze dat ik zou eindigen als een eenzame oude vrijster. Maar dat is dus niet gebeurd. Ik ben nu de Marokkaan in een vinexwijk.

2Het lot heeft me naar Europa gebracht, of beter gezegd: naar Nederland.

Mijn ouders hadden een droom: dat hun kinderen succesvoller zouden worden dan alle andere allochtone kinderen in Nederland. Hun kind zou op een kantoor werken, in een strak zittend pak achter een computer met een stropdas zitten, en geld als water verdienen. Alle andere ouders van de eerste generatie hadden overigens dezelfde droom. Ze wilden elkaar allemaal overtroeven en wij waren slechts de pionnen in het spel. Ik ben niet zo’n persoon. Ik schrijf en ik houd niet van nette kleren, vooral niet als ze strak zitten. Ik ben geen overtroever, of droomkind.

Ook ik had vroeger een droom, maar natuurlijk niet dezelfde als mijn ouders. De mijne was mooier: ik wilde een roman schrijven. Begin jaren negentig waren er nog weinig Marokkanen die publiceerden. Ik had het geluk dat ik een Marokkaan was en ben, en overigens ook Nederlander. Dus voordat de uitgeverij waar ik mijn manuscript naartoe had gestuurd mijn verhaal las, lieten ze me eerst langskomen. Ze keken hoe ik eruitzag, of ik donker genoeg was en of ik wel gebrekkig Nederlands sprak. Helaas voor hen was dat laatste niet het geval want ik was bevriend geraakt met een meisje dat oorspronkelijk uit een keurig dorp kwam, en intellectuele ouders had. Hoogleraren en zo. Daarom sprak ik met een Gooise r.

Giphart noemde het in die tijd overigens wel een allochtonen-r . Ik vroeg andere schrijvers of dat zo was. Die vonden het klinkklare onzin.

Van mijn uitgever kreeg ik meteen een contract. En geld toe. Ik merkte wel dat ze hoopten dat, als ik op tv zou komen, ik toch een beetje allochtoons zou praten, maar ik was dat echt verleerd. Enkele jaren na mijn eerste boek was verschenen kwam Minnares van de duivel uit. Op de televisie las ik in het programma van Jack Spijkerman een erotisch stuk uit dat boek voor en toen had je alle moslims en gereformeerden aan het dansen. En ik maar denken dat gereformeerden geen tv keken.

Het ging om seks. Neuken dus. Ik begrijp niet wat er zo vreemd aan is als iemand een seksstukje voorleest of schrijft. We neuken toch allemaal? Nou ja, afgezien van nonnen en monniken dan.

Om eerlijk te zijn, heb ik niet zoveel zin meer in mediaoptredens. Bij Pauw & Witteman bijvoorbeeld. Of bij andere programma’s. Dan zit ik daar aan zo’n tafel en moet ik doen alsof ik alles begrijp. Alleen maar omdat ik een boek heb geschreven. Te veel meningen hebben is niet goed voor een mens. Je houdt jezelf voor de gek en maakt jezelf belangrijker dan je bent. Ik ben gewoon ik: een schrijver, echtgenote, moeder en een Prozac-slikker in een vinexwijk.

Journalisten vragen altijd hetzelfde. Met alle respect voor journalisten, soms heb ik het gevoel dat zij hun innerlijke strijd door middel van mijn woorden uitgedrukt willen zien.

Het nadeel van het publiceren van een boek is dat er vervolgens een handjevol recensenten je werk gaat beoordelen. Ik kom er nooit echt goed vanaf. Daarom lees ik ze maar niet meer en durf ik pas weer een krant open te slaan als mijn boek tenminste vier maanden uit is. Dan weet ik dat ik veilig ben, want ik ben een beetje gevoelig voor dat soort dingen.

Naima el Bezaz, Vinexvrouwen, 176 pag., uitg. Querido, € 17,95