Debutant op Binnenhof houdt zelden stand

Het is de tragiek van bijna elke nieuwe politieke partij op het Binnenhof. Na korte tijd zijn ze er door onderling gekrakeel weer weg.

De partijen die direct na de Tweede Wereldoorlog het ‘herrezen Nederland’ vertegenwoordigden, vormen nog altijd het brede fundament van het Nederlandse politiek bestel. Niet meer zo dominant als vroeger, wel blijvend. Dat is het grote verschil met de nieuwkomers. Dat blijven passanten.

In feite telt het naoorlogse partijenstelsel maar twee enigszins geslaagde inbraken: D66, dat zich in 1967 als D’66 met zeven zetels uit het niets in de Tweede Kamer vestigde, en de SP, die in 1994 met twee zetels een bescheiden entree maakte. Enigszins geslaagd, omdat beide partijen weliswaar nog altijd in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd, maar voor het overige tot de categorie politieke stuiterballen kunnen worden gerekend: afwisselend grote hoogten en diepe dalen. D66, bijvoorbeeld, werd in 1974 alleen maar niet opgeheven omdat de daarvoor benodigde tweederdemeerderheid op het door enkele honderden leden bezochte congres ontbrak.

De orthodox-christelijke hoek van de samenleving kent sinds 1963 het Gereformeerd Politiek Verbond, dat in 2001 opging in de ChristenUnie. Het GPV was niet een echt nieuwe partij, maar een afsplitsing van een bestaande: de Anti-Revolutionaire Partij die in de jaren zeventig met twee andere christelijke partijen het CDA ging vormen.

Voor het overige hebben debutanten nooit stand weten te houden. De kiezers haakten na verloop van tijd toch weer af. Teleurgesteld, omdat niet aan de belofte was voldaan en de partijen meer bezig waren met interne twisten dan nieuwe, andere politiek. Zo was er de Boerenpartij onder leiding van ‘Boer’ Koekoek, die in 1963 met drie zetels in de Tweede Kamer kwam. Aanvankelijk bestond de aanhang vooral uit boeren die het niet eens waren met het strakke landbouwbeleid van de overheid. Maar vooral dankzij het non-conformistische optreden van Koekoek wist de Boerenpartij in de jaren daarna, toen de maatschappij toch al op drift was, uit te groeien tot een anti-establishment partij die in 1967 zeven zetels in de Tweede Kamer kreeg. Na dit succes, ook dankzij veel stemmen uit de Randstad, was het snel afgelopen. De partij raakte verdeeld, waardoor de Tweede Kamerfractie in drieën uiteenviel.

Net als de PVV van Geert Wilders speelde ook de Boerenpartij de snelle groei parten. De mensen die zich meldden voor een politieke functie werden onvoldoende gescreend. De partij kwam in de problemen toen nogal wat actieve leden een dubieus oorlogsverleden bleken te hebben.

Het is bijna een vast gegeven: komt de partij die van plan was de ‘oude politiek’ op te schudden niet zelf in de moeilijkheden wegens ‘in opspraak’ geraakte leden, dan is het wel door onderlinge verdeeldheid. Partijdiscipline is immers ook een gevolg van ervaring. De tweekoppige Nederlandse Middenstandspartij viel uiteen, DS’70 van de ‘jonge’ Drees ging na zeven jaar ten onder aan interne ruzie, de Ouderenpartij die in 1994 met zes zetels de Tweede Kamer binnenstormde, was vier jaar later in vieren opgedeeld, terwijl de LPF van Pim Fortuyn, die in 2002 met liefst 26 zetels in de Tweede Kamer kwam, ook binnen enkele maanden met talloze schisma’s te maken kreeg.

Oorzaak: de onstuimige electorale groei houdt onvoldoende tred met de interne partijorganisatie. Zo lang dat zo is, wint de gevestigde politiek het op de langere termijn altijd weer van de nieuwkomers.