De houdbaarheid van de democratie

Twee weken geleden verscheen een artikel waarin ik mij afvroeg of enkele premisses waarvan de democratie uitgaat – meer informatie leidt tot betere besluiten, mensen verlangen een maximum aan vrijheid, democratie leidt tot vrede – wel juist zijn. Sinds die dag kwamen mij drie referaten onder ogen die ogenschijnlijk over hetzelfde thema gingen. Is dit toeval?

Nee, natuurlijk is dit geen toeval. Sinds er, binnen nog geen tien jaar, twee partijen, uit het niets opgekomen, massale aanhang wisten te verwerven met hun kritiek op het politieke stelsel, is dit thema actueel. Ook ik had me er al eerder mee beziggehouden, zoals in mijn column van 10 juni, waarin ik me afvroeg of de democratie niet zou imploderen, net als met het communisme en, in zekere zin, in 2008 met het kapitalisme was gebeurd.

Kapitalisme en democratie – het zijn twee nauw met elkaar verbonden verschijnselen. Het is geen toeval dat in die delen van de wereld waarin democratie heerst, het kapitalisme als maatschappijvorm is aanvaard, zo het er niet de stoot toe heeft gegeven. Zelfs de van oorsprong antikapitalistische sociaal-democratie heeft zich erbij neergelegd.

Maar die twee-eenheid, die in Amerika haar hoogtepunt had gevonden, lijkt het einde van haar hegemonie te naderen. Het communistische China is bezig, een kapitalistische praktijk volgend, „de wereld op te kopen” (The Economist, 11 november) en op de G20 in Seoel stond president Obama vrijwel geïsoleerd. Hij werd zelfs door zijn bondgenoot Merkel afgevallen.

Machtsverschuivingen plegen ook politieke stelsels en staatsvormen niet onberoerd te laten. Het is dus geen wonder dat ook twijfel aan de houdbaarheid van de democratie opkomt. De drie referaten die ik onder ogen kreeg, houden zich ermee bezig, ieder op eigen manier.

De eerste is een column waarmee het novembernummer van de Internationale Spectator opent: ‘Democratische malaise’. Die is van de hand van prof. Kees van Kersbergen, verbonden aan de universiteit van Aarhus (Denemarken), die de „toenemende politieke onvrede of zelfs desillusie met de politiek” in de democratische landen aanstipt. Maar wanneer het om de oorzaken gaat, komt het niet verder dan: „Er is dringend behoefte aan dieper zelfonderzoek”, waar niemand bezwaar tegen kan hebben.

Klaas de Vries, jarenlang Tweede Kamerlid voor de PvdA en minister van Sociale en Binnenlandse Zaken in het kabinet-Kok II, stuurde mij zijn rede toe die hij gehouden had bij de aanvaarding van zijn bijzonder hoogleraarschap in Nijmegen: Ontwerp en onderhoud van de Hortus Democraticus. Een interessante rede, maar zij houdt zich meer bezig met het functioneren van bestaande instellingen in de Nederlandse democratie dan met de historische en filosofische wortels van de democratie als zodanig. Dit was dan ook in overeenstemming met zijn leeropdracht: Praktijk en cultuur van het Nederlandse parlement.

De titel van het derde referaat, dat mij door vriendenhand werd gestuurd, belooft wat dat betreft meer: De permanente crisis van de democratie. Het is de afscheidsrede van Jacques Thomassen als hoogleraar politicologie aan de Universiteit Twente (september). En inderdaad: het is een grondige analyse van het fenomeen democratie.

Zijn conclusie is: „Laten we niet al te gemakkelijk over een crisis van de democratie spreken.” Een verstandige raad, maar hoe klopt die met de ‘permanente crisis’ waarvan de titel spreekt? Dat de „democratie reddeloos zou zijn”, lijkt hem „voorlopig een onzinnige stelling”. Wie verdedigt die stelling? En houdt Thomassen met dat ‘voorlopig’ niet zelf een slag om de arm?

„Alle vergelijkingen met de ondergang van de Weimarrepubliek of angstvisioenen over een opstand der horden missen dan ook iedere rationele grondslag. het einde van de democratie ligt al evenmin aan de horizon als het einde van de geschiedenis.” Na het applaus dat deze slotwoorden verdienen, kunnen we rustig doormodderen of gaan slapen.

Maar laten we de vergelijking met de Weimarrepubliek even opvatten. Zoals alle historische vergelijkingen gaat zij mank (een vergelijking is dan ook geen gelijkstelling), maar dat wil niet zeggen dat we er niet van kunnen leren.

De republiek van Weimar heet naar de grondwet die in Duitsland in 1919, na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en de val van het keizerrijk, in Weimar werd aangenomen. Die republiek duurde tot 1933, toen Hitler aan de macht kwam. Zij was dus een democratisch intermezzo tussen een autoritair en een dictatoriaal bewind.

Die Duitse democratie leed onder de hypotheek van een verloren oorlog en een als smaad ondervonden vredesverdrag (Versailles), gevolgd door een inflatie die de burgerklasse ruïneerde. De korte periode van welstand die zij daarna beleefde, eindigde met de economische wereldcrisis van 1929.

Zo’n combinatie van rampen is op het ogenblik niet in zicht, maar is een economische crisis, al dan niet gepaard aan inflatie, ondenkbaar? Zo neen, is het dan ondenkbaar dat de democratie haar niet overal zou overleven? In dat geval zou het om meer gaan dan reparatie van slecht functionerende onderdelen.

Wilt u reageren? Schrijf de auteur op dezerdagen@nrc.nl