Akelige wonden en bleke gezichten

Tijdens zijn liveshows mixt Chris Cunningham beelden en manipuleert hij muziek.

Horror en pornografie zijn nog altijd twee belangrijke ingrediënten van zijn werk.

Videomaker/filmer/muzikant Chris Cunningham houdt niet van interviews. Hij vindt zichzelf als onderwerp niet interessant. Genoeg andere onderwerpen hebben zijn belangstelling, en daarbij geldt: hoe vreemder en bizarder, des te beter, zoals ook blijkt uit zijn video’s en films. Maar in hoeverre we de nachtmerrieachtige beelden uit zijn clips kunnen beschouwen als afspiegelingen van zijn eigen wezen, blijft in ons gesprek onbeantwoord.

Toch zijn sommige van zijn voorstellingen zelfs letterlijk afsplitsingen van hemzelf: voor de assemblage van de mismaakte hoofdpersoon in Rubber Johnny gebruikte hij modellen van zijn eigen geslachtsdeel. Rubber Johnny (2005) is een korte film over een jongen met een waterhoofd, in een rolstoel, die zijn eigen dansfeestje bouwt. De beelden zijn akelig en aandoenlijk tegelijk, zoals wel vaker bij Cunningham. Denk bijvoorbeeld aan de clips die hij maakte voor Aphex Twin, zoals het in humoristische vervreemding nog nauwelijks overtroffen Windowlicker (1999) en Come To Daddy (1997).

Maar dat is inmiddels geschiedenis. De Britse Chris Cunningham (1970, Reading) is geen clipmaker voor anderen meer. Wat hij dan wel is – muzikant; producer; performanceartiest; kunstenaar – blijft onduidelijk. Hoe dan ook bestaat zijn wereld uit die van studio en camera, van geluid en beeld. Hij is een langzame prater, maar zijn werkdrift is maniakaal: van ochtend tot avond is Cunningham in de studio bezig met het zichtbaar en hoorbaar maken van zijn ideeën. Vanavond, op de openingsavond van het STRP-festival in Eindhoven, is het resultaat daarvan te zien. Cunningham opent STRP met een van zijn ‘liveshows’, waarbij hij live zowel muziek als beeld verzorgt: op drie schermen mixt hij beelden, en tegelijkertijd manipuleert hij de muziek.

„Ik hou niet van shows in galeries, waar het publiek alleen maar rondloopt. Rond 2003 kreeg ik het idee om beeld en geluid allebei zelf te maken, en allebei live te presenteren”, zegt Cunningham. „Zo ontstonden de liveshows. Het blijft riskant: meestal zijn achtergrondprojecties bij concerten afschuwelijk, omdat ze liefdeloos in elkaar worden gezet. Muzikanten werken een half jaar aan een nieuwe cd, maar als ze op tournee gaan moet het achtergrondbeeld binnen twee weken klaar zijn. Mijn oplossing? Ik vind dat beelden niet moeten afleiden van de muziek, maar dat ze wel even sterk moeten zijn.”

Bij zijn optredens zien we een lange stroom scènes voorbij komen, van wapperende borsten, vervormde lichamen, akelige wonden, bleke gezichten – horror en pornografie blijken nog altijd twee belangrijke ingrediënten van Cunninghams gruizige onderwereld.

Na zijn succes als clipmaker voor onder meer Aphex Twin, Portishead (‘Only You’), Madonna (‘Frozen’) en Björk (zijn ‘All Is Full Of Love’, over twee amoureuze robots, kreeg meerdere prijzen en wordt permanent getoond in het MoMA in New York) maakte Cunningham reclames (onder andere voor Gucci) en werkte hij enkele jaren aan een verfilming van het boek Neuromancer van sciencefiction auteur William Gibson, die nooit voltooid werd.

Ondertussen drong muziek zich op de voorgrond. „Vroeger was musiceren mijn hobby”, zegt Cunningham. „Maar als clipmaker raakte ik steeds meer gefrustreerd door de samenwerking met muzikanten. Muzikanten doen nooit wat ik wil. Dus besloot ik voortaan mijn eigen muzikant te zijn. Dat gaf me volledige vrijheid: nu maak ik de nummers én de beelden.” Cunningham heeft verschillende stijlen: hij maakt elektronische soundscapes, en vormt samen met een zangeres ook een rockduo, waarin hij drumt, gitaar en basgitaar speelt en zingt. Bovendien was Cunningham in 2006 producer van de gruizige rockband The Horrors, voor wie hij nog een van zijn inmiddels zeldzame clips maakte (‘Sheena is a Parasite’).

Zijn dubbeltalent van beeld- en muziekmaker zet hij nu ook in voor anderen. Zo bewerkte hij ‘New York Is Killing Me’ van Gil Scott-Heron en maakte er beeld bij (te zien op chriscunningham.com). „Daarvoor verving ik 90 procent van de oorspronkelijke muziek met omgevingsgeluid en opnamen van treinen.” Op dit moment maakt hij een nieuwe instrumentatie voor ‘Williams Blood’, van Grace Jones. „Daarvoor gebruik ik uitsluitend het geluid van haar lichaam. Ik bewerk ze niet, nee, want dan kon ik net zo goed de klank van gewone instrumenten gebruiken. Het gaat er juist om dat je werkelijk haar lichaam hoort: geklap, strijken, strelen. De beelden hangen samen met het verhaal van het lied: hoe Grace vroeger werd beschouwd als het zwarte schaap van haar familie.”

Door zijn liveoptredens op festivals overal ter wereld, leeft Chris Cunningham tegenwoordig als een popmuzikant. Het is een nadeel dat hij veel van huis is, zegt hij. „Ik ben het liefst in de studio aan het werk, met af en toe een uitstapje naar Schotland waar mijn vriendin woont. Maar de festivals zijn nuttig: ze leveren geld op waardoor ik onafhankelijk kan zijn, en ik kan de reacties peilen van het publiek.” De beelden die tijdens de liveshows te zien zijn, zullen ooit samen een langere productie vormen, zoals een speelfilm. Over concrete plannen laat Cunningham zich niet uit. „Ik geef mezelf voorlopig nog tijd om te experimenteren.”