Fresku, de Nijhoff onder de rappers

Toen Derk Walters de raps van de Eindhovense rapper Fresku hoorde, dacht hij: dat klinkt als het gedicht vol klinkerrijm van Martinus Nijhoff, Awater.

Altijd kwamen ze terug in mijn studie literatuurwetenschap. De één kon klaarblijkelijk niet zonder de ander. In elke bloemlezing stonden ze weer – dé twee lange, Nederlandstalige gedichten.

Eerst kwam Mei (1889) van Herman Gorter – Een nieuwe lente en een nieuw geluid – en verderop stond Awater (1934) van Martinus Nijhoff. Mei rijmt, Awater niet. Of nou ja: de woorden rijmen meestal niet precies, maar de klinkers wel. Het gedicht begint met de ‘e’ – van geest en zweeft – en eindigt met de ‘u’. Dat gaat zo:

Wees hier aanwezig, allereerste geest,

die over wateren van aanvang zweeft.

Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,

het is gelijk de wereld woest en leeg.

Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,

puinhopen zien en zingen van mooi weer,

want zingen is slechts hartstocht van een zweer

en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.

Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.

Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.

Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.

Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,

En Jonas preekt, maar niet te Ninive.

Aan mijn studie heb ik een grote liefde voor poëzie overgehouden, maar monogaam ben ik niet. Die liefde moet concurreren met mijn passie voor hiphop.

Naar Sticks luister je om zijn flow, naar Jiggy Djé om zijn geniale woordvondsten en naar Winne om zijn Rotterdamse directheid. Rijmen kunnen ze allemaal, maar niemand zo goed als Fresku. Luisterend naar het nummer Twijfel van deze Eindhovense rapper moest ik ineens terugdenken aan de lessen van mijn literatuurprofessoren. Twijfel is het hedendaagse Awater.

Opvallend is dat Fresku – spreek uit: Friskoe, Antilliaans voor ‘brutaal’ – het rapgedeelte van zijn nummer aanvangt met een directe verwijzing naar het ‘zweven’ van Nijhoff:

ik zweef in mijn gedachten

alles is zo twijfelachtig

onzekerheid is een groot gedeelte van mijn karakter

soms lijkt het makkelijk

voor me, je ziet me blijven lachen

want ik verberg in feite mijn ware zijn met grappen

Het verschil met de dichter is dat Fresku, die rapt zoals hij praat, bijna altijd dubbele eindklinkers gebruikt. Zo rijmen de hierboven weergegeven openingszinnen niet alleen met hun korte ‘a’, maar ook met de ij-klank die daaraan voorafgaat.

Na vijf dubbele rijmreeksen komt een cruciale serie van enkele klinkerrijm op ‘ij’. Eén zin, waarin Fresku zich beklaagt over zijn overspelige ex-vriendin, krijgt veel nadruk:

sterker nog, als je in Eindje een groepje nigga’s ziet staan, heeft ze op z’n minst met twee gebald en één gepijpt

waarbij ‘Eindje’ een koosnaam is voor Eindhoven en ‘ballen’ het gangbare sociolect is voor het bedrijven van de liefde.

De raps worden feller, intenser. Het laatste deel voor het refrein, voorzien van zestien dubbele klinkerrijmzinnen, luidt als volgt:

ze houdt niks over en ik baal ervan

ik wil haar helpen, maar twijfel of ik mijn eigen huur betalen kan

ik werk en werk en soms vraag ik me af

moet ik zo’n type zijn die ik beschrijf in Slavengedrag

ik verlies al mijn principes, want ik baal elke dag

vandaar dat ik snak

naar adem als ik slaap in de nacht

mentaal ben ik zwak

ik maak muziek, want daar ligt mijn kracht

zo draag ik mijn lasten

over naar m’n naasten, zodat

ik niet verdwaal op m’n pad

want ik raak in de war

ik twijfel aan elke stap

omdat falen niet mag

dus samengevat:

waarna het nummer eindigt in een ‘refrein’, met negentien keer het woord ‘twijfel’, of een variant daarop.

In slechts negen rijmuitgangen, waarvan acht met dubbele klinkers, beschrijft de Eindhovense rapper hoe hij twijfelt, aan alles. Misschien moeten mijn vroegere professoren dit nummer maar eens opnemen in het curriculum.

Bekijk de volledige teksten van Awater en Twijfel en een videoclip van Fresku op nrc.nl