De soldaat als filmster

Op het IDFA, dat vandaag begint, is de documentaire Armadillo te zien.

De makers deelden maanden lief en leed met de soldaten in Afghanistan.

Vinden wij het erg als de Deense militair glunderend vertelt hoe ze de vier Talibaanstrijders „op zo menselijk mogelijke wijze liquideerden”? Er lagen er vier op een hoop te kreunen, ta-ta-ta, doet huzaar Daniel een machinegeweer na. Op dit punt in de documentaire Armadillo, waarin we een Deens peloton in een voorpost in de Afghaanse provincie Helmand volgen, vinden we dat helemaal niet zo erg. Wij dwalen dan al een uur met de Denen rond in the fog of war, zagen hoe drie kameraden sneuvelden en een ander zijn benen verloor.

In Nederland rommelt het debat al sinds het begin van onze ‘Wederopbouwmissie’ in Uruzgan. Moet een journalist zich laten ‘embedden’? Kan hij opgesloten in het militaire fort iets begrijpen van de realiteit daarbuiten? Voor Nederland bleef het een academische kwestie: het leger koos ervoor de pers niet mee te nemen. Andere naties toonden meer openheid.

Het IDFA kon kiezen uit twee voortreffelijke documentaires van filmmakers die samenleefden met NAVO-troepen in Afghanistan: Amerikanen in Restrepo, Denen in Armadillo. IDFA-directeur Ally Derks koos Armadillo, maar eigenlijk had ze beide moeten tonen. Samen geven ze een adembenemend inzicht in de mogelijkheden van ‘embedded journalism’.

In Restrepo, door Sebastian Junger en Tim Hetherington gefilmd op de Amerikaanse voorpost in de Korengal Vallei, midden op de aanvoerroute van de Talibaan, is de camera echt een ‘vlieg op de muur’: hij vangt het extreme geweld, de verveling en de adrenalinerush van het gevecht. Het is pure ervaringscinema: de oorlog door het oog van de militair, zonder commentaar of context. De Amerikaanse wilskracht en heroïek imponeert. In dat opzicht is Restrepo de triomf van ‘embedded journalism’.

Bij de Golfoorlog van 1991 hield het Amerikaanse leger, de lessen van Vietnam indachtig, de pers op grote afstand: dagelijkse beelden van precisiebommen moesten een schone oorlog suggereren. Op korte termijn met succes, later groeide de kritiek. Daarom werd bij de inval in Irak in 2003 de tegengestelde methode gekozen: journalisten diep in de actie dompelen. Dat bleek een groter succes. Publicitaire schade wordt ruimschoots gecompenseerd door een groter goed: identificatie met de soldaten.

Voor het Deense leger was Armadillo geen onverdeelde zegen. De documentaire, die in Cannes de Grote Prijs van de ‘Week van de Kritiek’ won, was wekenlang de best bezochte film in Denemarken en ontketende een fel debat. Armadillo ging wat verder dan gehoopt. Janus Metz Pedersen volgt een peloton huzaren van trainingskamp naar het Brits-Deense fort Armadillo. Hij toont wat oorlog met jonge soldaten doet met suggestieve montage en thrillermuziek. We zien de jonge Denen met de bekende motivatie naar Afghanistan reizen en hoe zij in hun contacten met de locale bevolking wegglijden in cynisme. Afghanistan is geen plaats voor idealisme. In Armadillo zien we de bravoure van jongens die heavy metal draaien en harde porno kijken, maar ook een militair die urenlang vingers en organen van een opgeblazen collega raapte en daarover grappen maakt. Anders word je gek.

En uiteraard ‘het incident’. Na talloze confrontaties met de onzichtbare Talibaan zijn we bij een vuurgevecht waarbij twee Denen gewond raken. In het tumult gooit huzaar Daniel een handgranaat in een greppel waar Talibaan in hinderlaag liggen: dan rennen we met schokkende camera in dekking, horen geschreeuw en uitbarstingen van mitrailleurvuur. Ten slotte zien we hoe de lijken uit de greppel worden gesleurd, de opwinding en ontlading. Eindelijk kunnen de jongens eens terugslaan. Waarna het uitgelaten opscheppen over de ‘liquidatie’ stukje bij beetje wordt ingeslikt, zeker als een onderzoek naar de toedracht begint.

Het Deense leger nam een groot risico door Metz’ camera toe te laten. En achteraf volgde een harde confrontatie. De legerleiding eiste dat Metz zijn beeldmateriaal inleverde. Metz: „Er groeide een hoge mate van paranoia en wantrouwen.” Die duurde voort tot aan de wereldpremière in Cannes, toen het ministerie van Defensie op de valreep nog een veto kon uitspreken. Maar telkens schrok men terug voor het grotere schandaal van inbeslagname en censuur.

Metz: „We zijn in oorlog. Ik wilde in Armadillo het duistere, archaïsche gezicht daarvan tonen. Dat het voor iedereen een Heart of Darkness is: ongeacht je idealen, moet je de rivier afvaren en net zo worden als je vijand. De grens tussen beschaving en barbarij is dun.” Om dat proces van verharding te tonen, moest Metz afstand nemen van de soldaten met wie hij lief en leed deelde. Dat voelde als verraad, erkent hij: het pijnlijkste moment van zijn leven was de vertoning van Armadillo aan het peloton. Razend waren ze. Metz had hen misbruikt, hij was een matennaaier. Inmiddels heeft hij zich weer met hen verzoend.

En daarom werkt embedding zo goed, denkt Metz. „Je wordt intiem met elkaar als je bijna vier maanden in een fort zit. Gedeeld gevaar smeedt een ijzersterke emotionele band. Die is veel machtiger dan militaire censuur.”

IDFA 18 t/m 28 nov. Kijk voor het programma op idfa.nl

    • Coen van Zwol