De ironische mens maakt de waarheid

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Deze week: kunst zou elitair zijn, een linkse hobby. Wat hebben we er eigenlijk aan?

Na een slepende formatie van 127 dagen werd eindelijk het kabinet-Rutte gepresenteerd. Het daarmee gepaard gaande regeerakkoord kende opvallende besluiten op het gebied van immigratie, veiligheid en milieu. Maar de grootste controverse werd veroorzaakt door het voornemen om 200 miljoen euro op kunst en cultuur te bezuinigen.

PVV’er Sietse Fritsma vatte het standpunt van zijn partij goed samen tijdens een debat in de Haagse gemeenteraad. „Waarom moet Jan Modaal betalen voor een elitegezelschap dat een tromboneclubje bezoekt?” zei hij over het Residentieorkest. De cultuurwethouders van negen grote steden reageerden met een brief waarin ze waarschuwden dat de maatregelen ‘onherstelbare schade’ zullen opleveren. Tweeduizend mensen protesteerden op het Malieveld en aanstaande zaterdag zal in heel het land de actie ‘Nederland schreeuwt om cultuur’ plaatsvinden, dat al aangekondigd werd met een filmpje waarin allerlei prominenten krijsen om een herwaardering voor kunst.

Het lijkt bij deze kwestie niet zozeer te gaan over de vraag of kunst (deels) door de overheid gefinancierd moet worden of dat deze sector zelfbedruipend zou moeten zijn. Kunstenaars discussiëren onderling al jaren over de spanning tussen kunst en commercie, of goede kunst ook per se geld moet opleveren en wat de rol van subsidies daarin zou moeten. Dat is bij deze protesten niet het belangrijkste punt. Het ‘schreeuwen om cultuur’ geeft aan dat de kunstenaars en betrokkenen gefrustreerd zijn door het gebrek aan respect voor deze maatschappelijke sector, waarvan de voorgenomen bezuinigingen slechts een symptoom zijn. De protesten zijn gericht tegen een algemeen sentiment, ingezet door de PVV en de notie van ‘linkse hobby’s’, waarbij de waarde van kunst voor de samenleving in zijn algemeenheid in twijfel getrokken wordt. Kunstenaars worden gewantrouwd en als ‘elitair’ bestempeld. „Maar kunst is immens belangrijk!” roepen de tegenstanders.

Het probleem is dat er bij dit soort gevoelskwesties weinig goede argumenten gegeven worden. Kunst is mooi. Kunst is goed. Maria Goos is beter dan Oh oh Cherso. Maar waarom is kunst nou zo belangrijk? Een van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw, de Amerikaan Richard Rorty (1931-2007), trachtte dit uit te leggen in zijn klassieke werk Contingency, irony and solidarity (1989).

Rorty’s boek gaat in eerste instantie niet zozeer over kunst, maar over een verschuiving binnen het westerse denken. Rorty wijst op de toevalligheid (‘contingentie’) van onze ideeën en waarden en zet hiermee de kern van de postmoderne filosofie uiteen: het is een illusie dat we kunnen streven naar iets als de Grote Waarheid. Eeuwenlang hebben filosofen gedacht dat we door een bepaalde manier van denken of spreken alles over de wereld zouden kunnen weten. In de Verlichting werd de menselijke rede als belangrijkste middel voor dit doel aangewezen. Nietzsche wees ons er echter in het begin van de twintigste eeuw op dat dit onzinnig is. Volgens deze filosoof is de waarheid niets meer dan ‘een leger metaforen’, oftewel normen en waarden waar we op een bepaald moment toevallig in geloven. In eerste instantie is dit een tamelijk deprimerende gedachte.

Rorty wil niet zeggen dat we de hele dag op onze kamer Friends moeten gaan zitten kijken omdat het leven toch geen zin heeft. Er bestaat namelijk wel zoiets als tijdelijke ‘waarheid’, in de vorm van een afspraak over hoe we in een bepaalde periode spreken en denken. Het feit dat dit vocabulaire veranderlijk en toevallig is, maakt het niet minder waardevol. De waarheid is maakbaar, in plaats van een groot en heilig Einddoel en daardoor zijn er juist veel meer mogelijkheden dan voorheen. Maar wat voor rol hebben die kunstenaars hierbinnen?

Een vocabulaire kan veranderen door een idee van een genie, dat vervolgens langzaam voor de samenleving als geheel als normaal gaat gelden. Zoals Rorty zegt: „Vooruitgang komt voort uit de toevallige samenkomst van een persoonlijke obsessie en een publieke behoefte.” Dit genie is ‘de sterke dichter’. Omdat de waarheid bestaat in het vocabulaire dat we gebruiken, kan hier alleen vooruitgang in geboekt worden doordat er iemand is die met ons woordgebruik experimenteert.

We hebben allemaal een ‘eindvocabulaire’: een verzameling van termen en woorden die de kern van onze identiteit vormen: Nederland, liefde, voetbal, God, creativiteit, whisky. Voor Rorty is de ideale persoon de ironische mens, die voortdurend twijfelt aan dit eindvocabulaire en zijn contingentie dus erkent. De ironist wantrouwt termen die met hoofdletters geschreven worden en zoekt voortdurend in boeken, andere culturen en medemensen naar manieren om tot nieuwe inzichten te komen. Het lukt slechts een enkeling om dit proces van zelfcreatie te voltooien. Dit zijn dan de mensen die het lukt om ‘een nieuwe taal’ te spreken. Kunstenaars zijn ironisten pur sang.

Maar waarom is het belangrijk dat we onze manier van spreken en denken veranderen? We hebben het toch best goed zo? Volgens Rorty moeten we als mensheid streven naar één doel: het verminderen van wreedheid. Hier is niet een universele reden voor te geven (hier gelooft Rorty immers niet in), maar we voelen allemaal weerzin bij het zien van een marteling op YouTube of het horen van kwetsende spreekkoren vanaf de voetbaltribunes. Het is daarom nastrevenswaardig om deze weerzin te voorkomen en wreedheid uit te bannen. Dit kan door minder te denken in verschillen, maar in overeenkomsten tussen mensen – om het ‘zij’ te verkleinen ten faveure van het ‘wij’.

Door verbeeldingskracht kunnen we ons inleven in andere mensen, hun pijn zien en hierdoor zullen we ze zelf minder snel willen kwetsen. Dit is precies het doel van de ironisten, de pioniers van het denken, die voortdurend over de grenzen van hun eigen wereldbeeld kijken.

Rorty vervangt dus ‘de rede’ door ‘de verbeeldingskracht’ als belangrijkste menselijke leidraad. Het zal inmiddels geen verrassing zijn dat volgens Rorty de kunstenaars de rol van pionier vaak op zich nemen. Dit is de reden dat de kunst essentieel is voor de menselijke vooruitgang: door de experimenten van de kunstenaars zal de solidariteit tussen mensen vergroot worden – doordat er steeds minder in termen van ‘de anderen’ gedacht wordt – en zo zal er minder wreedheid in de wereld ontstaan. ‘Kunst doet ons onszelf opnieuw beschrijven. Daarom hebben de roman, de film en het televisieprogramma langzaam maar zeker de preek en de verhandeling vervangen als de voornaamste dragers van morele verandering en vooruitgang’, zo schrijft hij.

Over de vraag of kunstsubsidies nodig zijn, zou Rorty nog wel wat te zeggen hebben. Hij was een overtuigd liberaal, die geloofde in de kleinst mogelijke overheid. Volgens hem moest de politiek slechts de voorwaarden scheppen voor open en vrije communicatie tussen de mensen in de samenleving door middel van goede opvoeding, persvrijheid, kans op onderwijs en sociale mobiliteit.

Bij de manier waarop bepaalde takken van de kunstsector zich afkeren van de samenleving zou hij ook zo zijn twijfels hebben. Want schrijvers, schilders, dichters, filmmakers, muzikanten en theatermakers (en zeker ook filosofen en journalisten) hebben een zeer belangrijke taak: de mensheid van nieuwe inzichten voorzien.

Maar het huidige wantrouwen ten opzichte van kunst in Nederland zou Rorty beschouwen als een zeer gevaarlijke ontwikkeling. Het belang van kunst gaat veel verder dan een uitdrukking als ‘linkse hobby’ of ‘tromboneclubje’ doet lijken.