Waterpoloërs moeten harder trainen: afzien

In het spoor van de waterpolosters willen ook de mannen naar de top. Vanavond beginnen ze aan de World League, tegen Europees kampioen Kroatië.

Eens zal de beloning komen. Zelf heeft Robert Beskers (19) zijn zinnen gezet op het olympische waterpolotoernooi van 2016, in Rio de Janeiro. Dan is hij 25. Tot die tijd zal hij trainen – tweemaal per dag. In het water, in het bos, aan de gewichten. Verwachte inkomsten tot die tijd: geen. „Het is hard trainen, afzien. Maar dit is wat ik wil”, zegt hij. „We sporten niet voor het geld”, voegt bondscoach Johan Aantjes er ten overvloede aan toe.

Vanavond, in Dubrovnik, zullen de waterpolomannen zien wat nog ontbreekt voor de top. Het lijkt een eeuwigheid geleden dat Nederland in die kringen verkeerde. Kroatië is de eerste tegenstander in de World League, waaraan Nederland voor het eerst in jaren deelneemt, met een jeugdige, talentvolle groep. „We spelen tegen dertien klerenkasten”, waarschuwt Aantjes. „We hebben alleen al jaren krachttraining nodig om zo sterk te worden.”

Maar Aantjes en zijn spelers zijn vastbesloten dat lange pad helemaal af te leggen – het spoor werd al getrokken door de vrouwen. „Hun invloed is groot geweest”, erkent Aantjes, die vorig jaar begon met een fulltime trainingsprogramma voor de mannen. Niet helemaal vanaf nul, maar veel scheelde het niet.

Terwijl de vrouwen, diep verscholen in de bossen van Zeist, werkten aan hun onwaarschijnlijke succes van Peking (2008), verkeerde het mannenpolo in een diepe winterslaap. Na ‘Sydney’ (2000) was het bergafwaarts gegaan. „Het ontbrak ons aan grote spelers”, zegt Aantjes.

De mannen konden niet aanhaken bij de professionalisering in de landen van voormalig Joegoslavië, die met Hongarije en Italië de wereldtop vormen. „We kregen er één klap vijf, zes grote concurrenten bij. Dat konden we niet opvangen met de trainingsarbeid die wij gewend waren.” Want op clubniveau blijft waterpolo in Nederland een moeilijk verhaal. „De jeugd trainde veel te weinig uren. De verenigingen trainden twee of drie keer per week. Dat heeft niks met topsport te maken.”

Dat is mede te wijten aan het gebrek aan badwater. Waterpoloërs krijgen altijd de „loze uurtjes”, zegt Aantjes. „Toen ik als clubcoach naar de training reed, gingen overal de lichtjes uit. Moesten wij nog beginnen. Sommige clubs trainen tot half twaalf ’s avonds, na de doelgroepen en het vrij zwemmen. Waardeloos voor topsport.”

Toch aarzelde hij niet toen de bond hem in 2006 vroeg een nieuwe start te maken, met de Spelen als einddoel. Er kwamen acht opleidingscentra en een nationaal topsportcentrum in Zeist voor de beste spelers. „De jeugd heeft het terrein heroverd”, constateert Aantjes vier jaar later. „We horen structureel weer bij de top 8.”

Nu het fundament is gelegd, moeten de senioren volgen. Na het onverwachte succes van ‘Peking’ trok Aantjes ook met de mannenselectie naar Zeist, waar zwembond KNZB op het KNVB-sportcentrum een eigen bad heeft, met een krachttrainer, inspanningsfysioloog, sportpsycholoog, voedingsdeskundige, fysiotherapeut – alles wat olympische topsport tegenwoordig eist.

Want dat is wel wat Aantjes leerde van het succes van de vrouwen van bondscoach Robin van Galen: „Je kunt het niet met minder.” In de praktijk betekent dat tien keer per week trainen, waarvan acht keer in Zeist en twee keer bij de eigen club. Wie niet wil, valt af. Aantjes: „We hebben harde keuzes moeten maken. Jongens die vijf of zes keer in de week kunnen trainen, voldoen niet aan de eisen.” Wie minder traint, weet keeper Beskers inmiddels, „houdt het geen vier periodes vol” tegen de fullprofs uit Servië, Kroatië of Hongarije.

Sommigen haakten af, hij greep zijn kans. Beskers, wellicht ooit opvolger van de legendarische doelman Evert Kroon, verhuisde van Winterswijk naar Zeist. Hij zag twee jaar geleden tijdens een trip met zijn club BRC uit Borculo naar het Hongaarse Eger welke achterstand hij moet overbruggen. „Daar liggen kinderen van zeven jaar al elke dag in het water. En echt met de harde hand opgeleid, hè. Mooi om te zien.”

In die sportcultuur begeeft Aantjes zich met zijn jonge ploeg vanavond. Na jaren trainen breekt in Dubrovnik een nieuwe fase aan op de lange weg naar Rio. „Tegen de toplanden kunnen de spelers in het water voelen wat ze nog moeten leren. Dat leer je alleen in wedstrijden om het echie.”

Spannend zal het niet worden, daarvoor is Kroatië te sterk. Maar Aantjes hoopt wel dat Nederland gaandeweg steeds meer weerstand kan bieden in de zes groepsduels in de World League, met ook Griekenland en Italië. „We gaan leren, ervaring opdoen.”

Het eerste doel is het EK van 2012, in Eindhoven. „Ik hoop dat we daar landen als Macedonië, Rusland, Frankrijk en Frankrijk kunnen verslaan, de subtop. Daar moeten de contouren van het nieuwe nationale team zichtbaar zijn. En stel dat je daar het toernooi van je leven speelt, dan kun je je nog plaatsen voor het kwalificatietoernooi voor de Spelen van Londen.”