Wat er sneuvelt in de harde publicatiestrijd

De eisen van geldschieters zijn inspirerend, maar brengen ook diepgravend onderzoek in gevaar, vindt promovendus Laurens Hessels. Hij interviewde 47 wetenschappers.

Warna Oosterbaan

Sinds de jaren zestig en zeventig hebben beleidsmakers en bedrijven een steeds grotere greep gekregen op de wetenschapsbeoefening. Dat leidt vaak tot conflicten, ontdekte Laurens Hessels in zijn proefschrift Science and the struggle for relevance, waarop hij aanstaande vrijdag promoveert. „Financiers willen onderzoek dat bijdraagt aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken, maar als onderzoeker of als instituut word je afgerekend op wetenschappelijke publicaties.”

De promovendus (30) studeerde scheikunde en filosofie en kon die vakken mooi combineren in een promotieplaats aan de Universiteit Utrecht. Hij onderzocht hoe onderzoekers omgaan met de eis om relevant onderzoek te verrichten.

„Die eis wordt steeds vaker geformuleerd. Als je onderzoek doet in samenwerking met een bedrijf ligt die toepassingsgerichtheid voor de hand, maar ook NWO verbindt die voorwaarde steeds meer aan haar subsidies.” NWO is de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, met jaarlijks 700 miljoen aan onderzoekssubsidies de belangrijkste financier van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland.

Het proefschrift van Hessels heeft betrekking op drie wetenschapsgebieden: chemie, landbouwwetenschappen en biologie. Hij analyseerde beleidsrapporten, evaluatierapporten en hield diepte-interviews met 47 universitaire onderzoekers op die terreinen.

Hoe gaan de onderzoekers om met de eisen die de geldschieters stellen?

„Dat varieert nogal. Onderzoekers die in de biochemie werken, vinden het bijvoorbeeld problematisch. Hun onderzoek heeft van oudsher betrekking op fundamentele vragen en onderzoek voor een bedrijf past daar meestal niet in. Maar in andere vakgebieden zijn de onderzoekers er juist heel enthousiast over. Bijvoorbeeld in de tak van de chemie die zich met katalyse bezighoudt en in de dierfokkerij. Ze vinden het heel stimulerend: ze krijgen interessante vragen en bovendien toegang tot nuttig onderzoeksmateriaal. Tot dierpopulaties bijvoorbeeld.”

Zijn excellent onderzoek en de mogelijkheid van praktische toepassingen wel te combineren?

„Soms is dat heel moeilijk. Onderzoek van hoge kwaliteit moet het hebben van coherentie en continuïteit, en het diepgravende werk komt in gevaar als je je te veel moet laten leiden door kennisgebruikers die snel resultaat willen hebben. Verder is het gevaar dat de opleidingsfunctie van de universiteit de dupe wordt van die externe eisen. Op een universiteit moeten eersteklas onderzoekers beschikbaar zijn voor het onderwijs.”

En ze worden opgeslokt door de verplichting te publiceren.

„Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling. Er wordt in de wetenschap te veel waarde gehecht aan bibliometrische indicatoren: hoeveel je publiceert en hoe hoog de impact factor is van het tijdschrift waarin je publiceert. Die impact factor is het prestige van het tijdschrift, uitgedrukt in een getal. Daar worden onderzoekers op afgerekend. Door hun financiers, maar ook door de visitatiecommissies die in opdracht van het ministerie de faculteiten beoordelen.

„Dat heeft ertoe geleid dat het publiceren niet meer het primaire doel dient: wetenschappelijke communicatie. Het is een eigen leven gaan leiden. Onderzoekers zijn er heel handig in geworden om als co-auteur opgevoerd te worden bij onderzoek waaraan ze weinig tot niets hebben bijgedragen. Er zijn clubjes van onderzoekers die hebben afgesproken elkaar steeds maar weer als co-auteur op te voeren. En als je een vacature hebt, probeer je ook weer mensen te vinden die veel publiceren. Want dat biedt weer mogelijkheden om zelf als co-auteur bij zijn of haar publicaties genoemd te worden.”

Uw respondenten zijn daar heel duidelijk over in uw onderzoek. Maar waarom blijven ze anoniem?

„Dat heb ik hun beloofd. Het noemen van namen zou niet veel aan mijn analyse toevoegen.”

Moeten we terug naar de situatie dat onderzoekers zelf beslissen over hun onderzoek?

„Nee, natuurlijk niet. Ik denk dat het heel goed is om een deel van de onderzoeksfinanciering te verdelen in samenspraak met maatschappelijke partijen. Maar niet alles. Er moet een gezonde hoeveelheid onvoorwaardelijke financiering blijven.”