De sociale dienst die voor een dichte deur stond

Een bijstandsmoeder kreeg met haar ex nog een kind. Die ex eet nog elke dag mee.

Mag zij de sociale dienst de toegang tot haar huis weigeren voor onderzoek?

De Zaak. Een moeder met drie kinderen en een bijstandsuitkering voor alleenstaanden weigert de sociale dienst toegang tot haar woning. Een rechercheur en haar ‘klantmanager’ wilden controleren of haar ‘woonsituatie’ wel klopte met wat zij had opgegeven. De gemeente neemt haar weigering hoog op en trekt de uitkering in. Ze gaat in hoger beroep bij de bestuursrechter, waar ze aanvoert dat een redelijke grond voor een huisbezoek ontbrak.

Waarom kwam de gemeente op huisbezoek? De vrouw was tot 2005 getrouwd en kreeg een uitkering voor gehuwden. Het stel had twee kinderen. Na de scheiding kregen beiden een uitkering voor alleenstaanden. Twee jaar later krijgt de vrouw een derde kind, en wel van dezelfde man. De man erkent het kind ook. Het valt de klantmanager van het gescheiden stel op dat als hij de vrouw thuis telefonisch spreekt, de man daar ook aanwezig is. Althans, de man komt ook vaak aan de telefoon om zijn uitkeringszaken met de klantmanager te regelen. Hebben zij hun huwelijk én hun gezamenlijke huishouding soms voortgezet? Moet er dan niet een (lagere) gehuwdenuitkering worden toegekend?

Hoe antwoordt het stel op de kritische vragen? Zij verklaren hun onderlinge contact vanuit de wens ‘goed met elkaar om te gaan voor de kinderen’. De man zegde een afspraak met het reïntegratiebureau af toen zijn ex in het ziekenhuis werd opgenomen voor de bevalling. Ook kon hij in de drie weken na de bevalling (met keizersnede) niet aan zijn verplichtingen jegens de sociale dienst voldoen omdat hij op hun drie kinderen moest passen. En toen de sociaal rechercheur en de klantmanager onverwachts aan de deur kwamen, verklaarde hij ook dagelijks met zijn ex-vrouw mee te eten.

Wat is de rechtsvraag? Had de gemeente een voldoende redelijke grond om op huisbezoek te komen? Waren er voldoende feiten en omstandigheden om redelijkerwijs te twijfelen aan de opgave van het stel dat zij beide ‘alleenstaand’ zijn? En dus geen gezamenlijke huishouding te voeren?

Wat zegt de hoogste rechter, de Centrale Raad van Beroep? Voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding ‘is slechts relevant of zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning’. Wederzijdse zorg of het delen van kosten is ‘niet van belang’ voor een redelijke grond voor een huisbezoek. Het verhaal van de klantmanager over het samenzijn van beide ex-partners in de woning van de vrouw is te vaag. Niet duidelijk is wie precies wie opbelde, wanneer en hoe vaak dat gebeurde.

Dat de man betrokkenheid toonde bij de bevalling kan alleen worden geduid als ‘incidentele feiten of omstandigheid’. Ook dat is onvoldoende om meteen op huisbezoek te mogen gaan. Wel had de gemeente nader onderzoek kunnen doen met ‘minder ingrijpende methoden’. De rechter zegt dat er wel aanleiding was om een hoorgesprek te voeren, voor observatie (vanaf de straat) of het opvragen van energieverbruiksgegevens. De vrouw weigerde het huisbezoek dus terecht.

Folkert Jensma