Dagdromen over de Zomerspelen

Nederland overweegt een gooi te doen naar de Spelen van 2028. Maar de kosten en de risico’s dwingen tot realisme.

Het vooruitzicht stemt velen vrolijk: Nederland als het olympische centrum van de wereld, gadegeslagen door miljarden tv- en internetkijkers. Met een fittere bevolking en een sterk verbeterde infrastructuur, waar vele generaties dankzij de Olympische Spelen ook na 2028 nog plezier aan zullen beleven.

Droom of werkelijkheid? Niemand die het weet. Maar realisme is geboden, onder het mom: bezint eer gij begint. Het oud-Hollandse spreekwoord had gisteren als decorstuk kunnen dienen bij een paneldiscussie in de aula van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. „Geen luchtfietserij”, waarschuwde directievoorzitter Coert Beerman van Rabobank Rotterdam.

De bankdirecteur weet waarover hij praat. Als lid van de raad van commissarissen van Feyenoord moest Beerman de afgelopen jaren lijdzaam toezien hoe de voetbalclub uit Rotterdam-Zuid financieel steeds verder wegkwijnde. Een forse naheffing van de belastingdienst en te rooskleurige inschattingen dreven de volksclub naar de rand van de afgrond.

Pas over zes jaar beslist het kabinet in samenspraak met sportkoepel NOC*NSF of Nederland zich officieel kandidaat stelt voor de Zomerspelen van 2028. Komend jaar al volgt de eerste hindernis, wanneer bepaald wordt welke stad het Nederlandse bid mag omarmen en vertegenwoordigen. Het kan bijna niet anders of de keuze valt op Amsterdam; niet alleen de hoofdstad en mede daarom Nederlands bekendste stad in het buitenland, maar bovendien in 1928 al gastheer van de Spelen. Honderd jaar na dato zou ‘de cirkel rond zijn’, menen voorstanders.

Dat vooruitzicht doet vooral pijn in Rotterdam, de stad die zichzelf graag mag verkopen als dé sportstad van Nederland en toch al worstelt met het Second City Syndrome. Wethouder Antoinette Laan (cultuur en sport, VVD) klampte zich gisteren vast aan de wetenschap dat de Spelen, gelet op de omvang, geheel Nederland zullen aandoen. „Prima als een ander de naam krijgt, maar als wij ook maar gave evenementen krijgen.”

Achter de schermen bundelen Rotterdam en Den Haag momenteel de krachten. Beide steden weigeren in 2028 genoegen te nemen met de kruimels, mocht Nederland de Spelen mogen organiseren. Om de duurzaamheidsgedachte alvast kracht bij te zetten, opperde Laan gisteren de mogelijkheid van „een zwembad in de Maas”.

Maar de grote en alles overstijgende vraag is en blijft welke prijs Nederland bereid is te betalen voor de Spelen, en welke economische baten daar tegenover staan. Behalve hoopgevende voorbeelden (Los Angeles 1984 en Barcelona 1992) biedt de geschiedenis ook ruim voldoende doemscenario’s. Belastingbetalers in het Canadese Montréal hebben ruim dertig jaar de tol moeten betalen voor het fiasco van de Zomerspelen van 1976. In Athene (2004) en Peking (2008) staan tal van peperdure sportaccommodaties te verpieteren.

Ook Londen, over minder dan twee jaar gastheer van de Zomerspelen, heeft de kosten fors zien oplopen. De totale investering in olympische accommodaties bedraagt inmiddels 11,3 miljard euro, bijna drie keer zoveel als begroot. Daar zullen honderden miljoenen bij komen om het park nadien aan te passen aan de toekomstige bestemming. Dat vooruitzicht stemt niemand vrolijk.